ECLI:NL:RBDHA:2026:424

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
C/09/686654 / HA ZA 25-528
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige gegevensverstrekking door gemeente aan woningcorporatie in strijd met de AVG

In deze zaak vorderden [eisers] c.s. schadevergoeding van de gemeente Leiden wegens onrechtmatige gegevensverstrekking. De gemeente had op 14 november 2023 persoonsgegevens van [eiser] en [eiseres] verstrekt aan woningcorporatie [woningcorporatie] zonder rechtsgrond, wat in strijd was met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De rechtbank oordeelde dat de gemeente niet had voldaan aan de vereisten voor gegevensverstrekking en dat de verstrekte gegevens niet noodzakelijk waren voor de behartiging van een gerechtvaardigd belang. De rechtbank concludeerde dat de gemeente onrechtmatig had gehandeld, maar dat er geen causaal verband was tussen de gegevensverstrekking en de verkoop van de woning door [eiser]. De rechtbank kende [eiser] en [eiseres] een schadevergoeding toe voor immateriële schade, maar wees de vordering tot materiële schade af. De proceskosten werden gecompenseerd.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/686654 / HA ZA 25-528
Vonnis van 7 januari 2026
in de zaak van

1.[eiser] , te [woonplaats] ,

hierna te noemen: [eiser] ,
eiser,
advocaat mr. J.J.A. Braspenning te Tilburg,
2.
[eiseres], te [woonplaats] ,
hierna te noemen: [eiseres] ,
eiseres,
advocaat mr. J.J.A. Braspenning te Tilburg,
tegen
GEMEENTE LEIDEN, te Leiden,
hierna te noemen: de gemeente,
gedaagde,
advocaat mr. A.P. van Delden te Leiden.
[eiser] en [eiseres] worden hierna gezamenlijk [eisers] c.s. genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 juni 2025, met de productie 1 tot en met 25;
- de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 16;
- de brief van 10 november 2025 van mr. Braspenning, met de producties 26 tot en met 28.
1.2.
Op 24 november 2025 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Inleiding
2.1.
[eiser] en [eiseres] zijn echtgenoten. [eiser] is werkzaam bij het ministerie [ministerie] . Hij geeft leiding aan een afdeling die verantwoordelijk is voor [werk] . Daarnaast is [eiser] wetenschappelijk docent bij de faculteiten [faculteiten] .
2.2.
Op 19 september 2013 heeft [eiser] van de woningbouwcorporatie [woningcorporatie] (hierna: [woningcorporatie] ) de woning aan de [adres 1] (hierna: de woning) gekocht. Het betreft een appartementsrecht dat door [woningcorporatie] aan [eiser] in erfpacht is uitgegeven. Er is onder meer overeengekomen dat [eiser] de woning zelf moest blijven bewonen en dat, als hij niet meer aan deze verplichting zou voldoen, hij de woning aan [woningcorporatie] te koop moest aanbieden en dat [woningcorporatie] de woning dan zou terugkopen, waarbij de prijs zou worden bepaald aan de hand van een taxatieregeling. Dit wordt ook wel aangeduid als de koopgarantie.
2.3.
Bij brief van 9 oktober 2023 heeft [eiser] aan [woningcorporatie] verzocht ontheffing te verlenen van de verplichting tot zelfbewoning van de woning, zodat hij deze woning kon gaan verhuren. Als redenen hiervoor zijn vermeld, kort gezegd, dat [eiser] per 1 september 2023 part-time docent aan de [faculteit] was geworden, dat hij daarom naar [plaats 3] wilde verhuizen maar dat hij de woning wilde aanhouden om mantelzorg te kunnen verlenen aan zijn ouders.
Feitenrelaas ten aanzien van de gegevensverstrekking
2.4.
Naar aanleiding van het onder 2.3 bedoelde verzoek heeft [woningcorporatie] bij de gemeente gegevens opgevraagd uit de Basisregistratie Personen (BRP). In dit kader is op 14 november 2023 de volgende e-mailcorrespondentie gevoerd tussen [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van [woningcorporatie] en [naam 2] (hierna: [naam 2] ) van de gemeente Leiden:
“Hoi [naam 2] ,
Ik heb een verzoekje, kun je voor ons in het GBA een adresje opzoeken.
- Adres: [adres 1]
- Postcode: [postcode] te [plaats 1]
- Naam: [eiser]
-
Als meneer niet ingeschreven staat op het adres zou je dan kunnen uitzoeken waar hij wel ingeschreven staat.
Alvast bedankt (…)”
In de onderwerpregel van deze e-mail staat “
[adres 1] Koopwoning”. In reactie hierop heeft [naam 2] als volgt geantwoord, met daaronder een gegevenstabel uit de BRP:
“Ik zie dat hij gehuwd is met mevr. [eiseres] . Deze is vertrokken naar [plaats 2] . Heb je het idee dat hij ook weg is?”
Bij de naam van [naam 2] is als functie vermeld:
“Toezichthouder en juridische handhaving onrechtmatige bewoning Coördinator Landelijke Aanpak Adreskwaliteit Team PWO”
In reactie op deze e-mail heeft [naam 1] geschreven:
“Bedankt voor de info. Het is een dossier dat bij onze juristen ligt. Ik ga je de ins en outs nog wel vertellen”
Reeks van gebeurtenissen na de gegevensverstrekking
2.5.
Bij e-mail van 20 november 2023 van de advocaat van [woningcorporatie] (mr. Vermeulen) is het ontheffingsverzoek afgewezen, waarbij mr. Vermeulen aan mr. Fennema, de toenmalige advocaat van [eiser] , onder meer heeft geschreven:
“Het verzoek van uw cliënt wordt niet ingewilligd. Cliënte is al enige tijd geleden gestopt met het in erfpacht uitgeven van woningen onder de toepasselijkheid van Koopgarant-bepalingen. Haar beleid is erop gericht om deze woningen, na terugkoop, toe te voegen aan de (sociale) verhuurvoorraad. De woning van uw cliënt valt in het segment dat wordt verhuurd met een niet geliberaliseerde huurprijs. Zodra uw cliënt niet meer voldoet aan zijn zelfbewoningplicht dient hij de woning aan cliënte te koop aan te bieden (artikel 8 lid 1 sub b).”
2.6.
In aanvulling hierop heeft mr. Vermeulen bij e-mail van 24 november 2024 aan mr. Fennema bericht:
“Ik wacht uw inhoudelijke bericht af. Ik wil u reeds thans wijzen op het arrest na het Hof den Haag van 28 april 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:856), waarin wordt overwogen:
"In de akte is opgenomen dat de erfpachter verplicht is de woning daadwerkelijk als hoofdbewoner te bewonen en dat hij niet bevoegd is de woning te verhuren of anderszins in gebruik af te staan. Naar het oordeel van het hof volgt uit het gebruik van de woorden "daadwerkelijk als hoofdbewoner te bewonen" dat met de bepaling bedoeld is dat de erfpachter ook daadwerkelijk in de woning woont. Dat sluit ook aan bij de kop van de bepaling die luidt "zelfbewoningsplicht". Naar normaal spraakgebruik houdt een zelfbewoningsplicht in dat de woning door (in dit geval) de erfpachter zelf wordt bewoond. Dat hij de woning niet mag verhuren of anderszins in gebruik mag geven volgt daaruit. Het feit dat dit in de erfpachtakte ook is opgenomen beperkt de betekenis van de verplichting de woning zelf te bewonen daarom niet. In ieder geval kan daaruit niet volgen dat de erfpachter het recht heeft de woning ongebruikt leeg te laten staan. Anders dan [appellante] betoogt, kan dit ook niet worden afgeleid uit het gebruik van het leesteken "puntkomma". Daar komt bij dat Vidomes terecht heeft opgemerkt dat, als bedoeld zou zijn alleen verhuur of het in gebruik geven aan een derde te verbieden, het niet nodig was geweest de verplichting op te nemen dat de woning daadwerkelijk als hoofdbewoner moet worden bewoond, maar dot met het verbod op verhuur en ingebruikgeving aan een derde had kunnen worden volstaan."
Ook indien uw cliënt de woning niet verhuurt maar feitelijk elders gaat wonen is sprake van een ernstige tekortkoming in de zin van artikel 5:87 lid 2 BW, op grond waarvan de erfpacht door cliënte kan worden opgezegd. Bovendien staat op het, na sommatie, niet voldoen aan de bepalingen een contractuele boete ter grootte van 50% van de marktwaarde van de woning.”
2.7.
In reactie hierop heeft mr. Fennema bij brief van 1 december 2023 verzocht binnen 10 dagen schriftelijk te bevestigen dat een ontheffing van de zelfbewoningsverplichting zal worden verleend, dat bij gebreke hiervan nadere rechtsmaatregelen zou worden genomen en een eventuele procedure met vertrouwen tegemoet werd gezien..
2.8.
In reactie hierop heeft mr. Vermeulen bij e-mail van 12 december 2023 geschreven:
“Cliënte heeft geen plicht om verhuur toe te staan. Dit is een bevoegdheid die zij heeft. Niet gezegd kan worden dat het onthouden van toestemming in strijd is met de criteria van artikel 3:13 BW. Cliënte is een toegelaten instelling in de zin van artikel 19 van de Woningwet. De wetgever heeft in artikel 46 van de Woningwet bepaald dat toegelaten instellingen zich (onder meer) dienen te richten op het huisvesten van personen die vanwege hun inkomen of andere omstandigheden moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting. Dit heeft cliënte onder meer gedaan door woningen in erfpacht uit te geven onder toepasselijkheid van de Koopgarantbepalingen. In het geval van uw cliënt is hier een investering mee gemoeid geweest van € 31.250,-.
Het faciliteren van verhuur van Koopgarantwoningen staat haaks op de wettelijke taakopdracht van toegelaten instellingen. Cliënte heeft voornoemde investering niet gedaan om verhuur van de woning te faciliteren.
Mijn verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 28 april 2020 was bedoeld om uw cliënt er op te wijzen dat het hem niet is toegestaan om elders zijn hoofdverblijf te houden, ook als hij de woning niet verhuurt. Ingevolge artikel 8.1 van de Koopgarantbepalingen dient uw cliënt de woning te koop aan te bieden aan cliënte zodra hij niet meer voldoet aan zijn zelfbewoningsplicht.
Ik wijs u voorts op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 8 november 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:4140) waarin het Hof heeft geoordeeld dat de bepalingen omtrent de zelfbewoningsplicht en het verbod op verhuur niet kunnen worden aangemerkt als onredelijk bezwarend.
Cliënte handhaaft haar standpunt. Indien u wilt overgaan tot dagvaarden kan de dagvaarding op mijn kantoor worden uitgebracht.”
2.9.
Op 21 december 2023 heeft [eiser] vernomen dat bij zijn vader dementie was vastgesteld en daarom toenemende zorg nodig had.
2.10.
Op 30 januari 2024 is er telefonisch contact geweest tussen mr. Fennema en mr. Vermeulen. Naar aanleiding hiervan heeft mr. Fennema per e-mail van 14 maart 2024 geschreven:
“In de brief van 9 oktober 2023 heeft cliënt middels een aangetekende brief een uitvoerig onderbouwd verzoek gedaan aan uw cliënte om zijn woning te verhuren. Nadien heeft cliënt meermaals geprobeerd de kwestie aan uw cliënte voor te leggen en is er over de kwestie gecorrespondeerd. Naar aanleiding van deze correspondentie wenst cliënt u en uw cliënte
te wijzen op navolgende.
Op basis van een inzageverzoek bij de Gemeente Leiden blijkt dat er op 14 november 2023 gegevens zijn opgevraagd uit de Basisregistratie Personen (BRP) van cliënt. Cliënt beschikt over alle documentatie dienaangaande. Op 24 november 2023, tien dagen na de inzage in de BRP-gegevens van cliënt, attendeerde u cliënt in uw e-mail op zijn verplichtingen
ten aanzien van zijn hoofdverblijf. U refereerde hieraan door op te merken dat niet alleen indien cliënt zijn woning verhuurt, maar ook wanneer hij elders hoofdverblijf houdt, er sprake is van een ernstige tekortkoming. U verwijst bovendien naar volgens u toepasselijke jurisprudentie. In uw e-mail gaf u vervolgens aan dat uw cliënte ter zake van ernstige tekortkomingen gerechtigd is de erfpacht op te zeggen dan wel dat cliënt contractuele boetes verschuldigd zou zijn.
In een telefoongesprek van 30 januari jl. refereerde u vervolgens aan de echtgenoot van cliënt. U maakte daarbij meermaals melding van de woonplaats van de echtgenoot van cliënt te [plaats 2] , waarna u aangaf dat uw cliënte wegens deze woning ernstige twijfels heeft of cliënt voldoet aan zijn zelfbewoningsplicht. Het is cliënt onduidelijk op welke gronden de BRP-gegevens van hem en zijn echtgenoot zijn opgevraagd dan wel waarom hieraan door u dan wel uw cliënte is gerefereerd. Cliënt is om die reden een inzageverzoek gestart bij de Gemeente [plaats 2] . Gelet op de bovenstaande feiten en omstandigheden blijkt dat u dan wel uw cliënte - in de periode nadat de gegevens van cliënt uit het BPR zijn opgevraagd - vertrouwelijke informatie van cliënt en zijn echtgenoot tot uw beschikking had.
Cliënt meent dat deze informatie is gebruikt ter bewijsvergaring in het kader van zijn verzoek en acht dit handelen onrechtmatig. Cliënt verwijst u o.m. naar een uitspraak van het Hof van Discipline (ECLI:NL:TAHVD:2015:9S, zaaknummer 7220) waarin een dergelijke handelswijze als ontoelaatbaar wordt beschouwd. Cliënt beraad zich om juridische stappen te ondernemen tegen deze gang van zaken. Cliënt verneemt graag binnen een
termijn van één week uw zienswijze op voorgaande.”
2.11.
[eiser] heeft op 2 februari 2024 een verzoek tot inzage in de verwerking van zijn persoonsgegevens bij de gemeente ingediend. Nadat de gemeente bij besluit op 19 februari 2024 een overzicht van verstrekkingen aan [eiser] had gestuurd, heeft [eiser] een bezwaarprocedure gestart. Hangende deze procedure heeft de gemeente op 22 maart 2024 een afschrift van de onder 2.4 bedoelde e-mailcorrespondentie aan [eiser] verstrekt, waarbij de persoonsgegevens van derden zijn weggelakt.
2.12.
De gemeente heeft het bezwaar gegrond verklaard en in haar beslissing op bezwaar opgenomen dat zij met [eiser] contact zou opnemen zodat hij kon aangeven welke informatie hij nog zou willen ontvangen. (Mede) naar aanleiding hiervan is er op 14 augustus 2024 een gesprek gevoerd tussen [eiser] (en zijn (toenmalige) advocaat mr. Stark) en ambtenaren van de gemeente.
2.13.
Bij brief van 8 februari 2024 heeft [eiser] aan [woningcorporatie] verzocht de woning terug te kopen. Op 26 juni 2024 is de koopovereenkomst tot stand gekomen en op 1 augustus 2024 heeft [eiser] de woning aan [woningcorporatie] geleverd.
2.14.
Op 31 juli 2024 is de vader van [eiser] in een verpleeghuis te [plaats 1] opgenomen.
2.15.
Nadat [eiser] enige tijd afwisselend bij zijn moeder te [plaats 1] en bij [eiseres] te [plaats 2] had gewoond, heeft hij gezamenlijk met [eiseres] een eengezinswoning aan de [adres 2] gekocht, welke woning op 5 maart 2025 aan hem is geleverd. Deze woning ligt op korte afstand van de woning van zijn moeder.
2.16.
Bij brief van 24 januari 2025 heeft (mr. Braspenning namens) [eisers] c.s. de gemeente aansprakelijk gesteld voor schade wegens onrechtmatige gegevensverstrekking.
2.17.
Op 18 maart 2025 is de vader van [eiser] overleden.
Juridisch kader gegevensverstrekking BRP
2.18.
Artikel 3.9 van de Wet Basisregistratie personen (hierna: Wet BRP) luidt, voor zover nu van belang, als volgt:
“1 Op verzoek van een derde kunnen aan hem gegevens worden verstrekt voor zover daarin is voorzien bij gemeentelijke verordening en voor zover:
(…)
b. de verstrekking in overeenstemming is met het tweede lid.
2 Bij gemeentelijke verordening kunnen door derden verrichte werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijk belang voor de gemeente worden aangewezen, ten behoeve waarvan gegevens uit de basisregistratie kunnen worden verstrekt. De verordening bepaalt tevens de categorieën van derden die voor de verstrekking in aanmerking komen. De verordening staat slechts verstrekking toe voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de derde en het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de ingeschrevene niet aan de verstrekking in de weg staan.
(…)
4 De verstrekking kan uitsluitend betrekking hebben op algemene gegevens over de naam, het geslacht, de geslachtsnaam van de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of eerdere geregistreerde partner, het gebruik door de ingeschrevene van de geslachtsnaam van de echtgenoot dan wel geregistreerde partner, de eerdere echtgenoot of eerdere geregistreerde partner, het adres, de bijhoudingsgemeente, de geboortedatum en de datum van overlijden.”
2.19.
De gemeente heeft gebruik gemaakt van de in artikel 3.9 lid 2 Wet BRP bedoelde mogelijkheid met de “Verordening gegevens BRP gemeente Leiden 2020” (hierna: de Verordening). Hierin is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 4. Verstrekkingen aan derden
1. Het college van burgemeester en wethouders kan, overeenkomstig artikel 3.9 van de wet, op verzoek van een derde aan hem gegevens verstrekken uit de basisregistratie personen indien:
(…)
b. de derde werkzaamheden verricht met een gewichtig maatschappelijk belang voor de gemeente en deze gegevens niet op een andere manier verzameld kunnen worden.
2. Verstrekking overeenkomstig het eerste lid, vindt enkel plaats voor zover deze noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de derde en het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de ingeschrevene niet aan de verstrekking in de weg staan.
Artikel 5. Aanwijzing gewichtige maatschappelijke belangen en categorieën derden
1. Als werkzaamheden met een gewichtig maatschappelijke belang worden aangewezen de werkzaamheden als genoemd in bijlage 1 van deze Verordening;
2. Als categorieën van derden die de in lid 1 genoemde werkzaamheden uitvoeren, worden aangewezen de categorieën als genoemd in bijlage 1 van deze Verordening.”
2.20.
In bijlage 1 van de Verordening worden “woningcorporaties” aangemerkt als een derde aan wie BRP-gegevens kunnen worden verstrekt als dat noodzakelijk is in het kader van het volgende gewichtige maatschappelijke belang: “Eerlijke verdeling van sociale woonruimte en tegengaan van woonfraude”.
2.21.
In februari/maart 2023 heeft de gemeente met woningcorporaties (waaronder [woningcorporatie] ) het “Convenant gegevensuitwisseling BRP en woongerelateerde fraude” (hierna: het Convenant) gesloten. In artikel 6 van het Convenant staat onder meer het volgende:
“Artikel 6. Verstrekken van gegevens
1. Gegevensuitwisseling vindt plaats voor zover dat noodzakelijk is voor de in dit convenant gestelde doelen zoals is bepaald in de dataleveringsovereenkomst.
2. De woningcorporatie verzoekt slechts om verstrekking of raadpleging van persoonsgegevens die betrekking hebben op sociale huurwoningen van de eigen woningcorporatie.”

3.Het geschil

3.1.
[eisers] c.s. vorderen, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
I de gemeente veroordeelt om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van
€ 188.332,95, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
II de gemeente veroordeelt om aan [eisers] c.s. de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van € 2.658,32, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele voldoening;
III de Gemeente veroordeelt in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.
3.2.
Aan deze vorderingen legen [eisers] c.s., samengevat, het volgende ten grondslag.
De gegevensverstrekking door de gemeente aan [woningcorporatie] op 14 november 2023 is onrechtmatig jegens [eisers] c.s. om de volgende redenen.
3.2.1.
In de eerste plaats bevat het onder de feiten opgenomen wettelijke kader voor de gegevensverstrekking BRP geen grondslag voor de onder 2.4 bedoelde gegevens-verstrekking, omdat de door [woningcorporatie] gevraagde gegevens geen betrekking hadden op een sociale huurwoning. Bovendien heeft [woningcorporatie] nimmer om informatie aangaande [eiseres] gevraagd. Het verstrekken van de gegevens zonder rechtsgrond schaadt de fundamentele rechten en vrijheden van [eisers] c.s. Bovendien heeft de gemeente niet geverifieerd voor welk doel de gevraagde gegevens nodig waren, terwijl daar wel aanleiding voor was. Voor zover er wel een rechtsgrond tot gegevensverstrekking bestond, heeft de gemeente nagelaten [woningcorporatie] correct te informeren over het feit dat [eiser] wél ingeschreven stond op het bewuste adres. In plaats daarvan wekt de gemeente de suggestie dat [eiser] , met zijn vrouw, verhuisd zou zijn naar [plaats 2] .
3.2.2.
In de tweede plaats heeft de gemeente in strijd met de AVG [1] gehandeld aangezien:
- de verstrekking op 14 november 2023 een verwerking van persoonsgegevens inhield;
- voor deze verwerking geen rechtmatige grondslag bestond (artikel 6 AVG);
- er geen maatschappelijk noch ander belang was om de gegevens te delen met [woningcorporatie] en er strijd is met de eis van minimale gegevensverwerking (artikel 5 onder a en c AVG);
- de gemeente niet over adequate procedurele waarborgen (integriteit en vertrouwelijkheid) beschikt om dit kader persoonsgegevens te verwerken (artikel 5 onder f AVG);
- er geen grondslag bestond voor het informeren van [woningcorporatie] over de relatiestatus van [eisers] c.s. en daarmee over hun seksuele gerichtheid (artikel 9 AVG);
- de gemeente heeft nagelaten binnen 72 uur een melding te doen bij de Autoriteit Persoonsgegevens, althans voor zover zij dat wel gedaan heeft, [eisers] c.s. daarover te informeren (artikelen 33 en 34 AVG);
- de gemeente aan [eisers] c.s. nog steeds niet de gehele inhoud van de op 14 november 2023 gevoerde correspondentie heeft verstrekt (artikel 15 AVG en considerans bij artikel 63 van de AVG).
3.2.3.
Dit onrechtmatig handelen van de gemeente heeft bij [eisers] c.s. tot materiële en immateriële schade geleid. [woningcorporatie] heeft de ten onrechte verstrekte gegevens gebruikt om [eiser] te dwingen de woning terug te verkopen in plaats van deze te kunnen verhuren. De immateriële schadepost kenmerkt zich doordat er door het handelen van de gemeente een gevoel van stress en onveiligheid ontstaan is bij [eisers] c.s. Hun persoonsgegevens liggen op straat en men is de controle daarover kwijt geraakt. Dat de vrees voor nadelige gevolgen terecht is volgt uit het feit dat [woningcorporatie] de ten onrechte verkregen gegevens ook daadwerkelijk gebruikt heeft ten nadele van [eiser] .
De materiële schade bestaat uit de volgende posten. In de eerste plaats heeft [eiser] de woning noodgedwongen verkocht en hierdoor niet kunnen verhuren. Ervan uitgaande dat [eiser] in de hypothetische situatie de woning tot het voorjaar van 2029 zou hebben verhuurd (en daarna verkocht) belopen de gederfde huurpenningen een bedrag van
€ 94.806,70. In de tweede plaats heeft [eiser] niet kunnen profiteren van de waardestijging van de woning tot het voorjaar 2029, die [eiser] begroot op € 141.642. Omdat [eiser] ingevolge de koopgarantbepalingen een deel van deze waardstijging aan [woningcorporatie] zou hebben moeten afdragen, bedraagt de schade (62,5% x € 141.642=)
€ 88.526,25.
3.3.
De gemeente concludeert tot afwijzing van de vorderingen.
3.4.
Op de standpunten van partijen gaat de rechtbank hierna voor zover van belang nader in.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
In deze zaak staat centraal of de gemeente op 14 november 2023 onrechtmatig (persoons)gegevens van [eisers] c.s. heeft verstrekt aan [woningcorporatie] en, zo ja, of de gemeente de gestelde schade moet vergoeden.
4.2.
De verstrekte (persoons)gegevens betreft het volgende. Met betrekking tot [eiser] heeft de gemeente verstrekt: achternaam, voorletter, geslacht, geboortedatum en datum vestiging [adres 1] . Uit de verstrekte informatie volgde dat [eiser] op het moment van de verstrekking stond ingeschreven op voormeld adres. Met betrekking tot [eiseres] is verstrekt: achternaam, voorletter, geslacht, geboortedatum, datum vestiging [adres 1] , datum vertrek van dit adres en datum vestiging op het adres [adres 3] . Daarnaast is de huwelijkse staat van [eiser] en [eiseres] verstrekt. Niet in geschil is dat deze (persoons)gegevens feitelijk juist waren.
4.3.
Volgens [eisers] c.s. was deze verstrekking i) in strijd met de Wet BPR en ii) in strijd met de AVG. De rechtbank bespreekt allereerst deze tweede grondslag van de vordering.
AVG
4.4.
Niet in geschil is, dat de gemeente met de onder 2.4 bedoelde verstrekking persoonsgegevens van [eisers] c.s. heeft verwerkt als bedoeld in artikel 4 sub 2 AVG. In artikel 6 AVG is bepaald dat verwerking van persoonsgegevens alleen rechtmatig is, wanneer sprake is van één van de verwerkingsgrondslagen, zoals genoemd in dat artikel.
4.5.
De gemeente stelt zich op het standpunt dat de gegevensverstrekking rechtmatig heeft plaatsgevonden op de grondslag dat de verwerking noodzakelijk was voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen (artikel 6 lid 1 sub e AVG). Hiervan is volgens de gemeente sprake omdat dat de verstrekking heeft plaatsgevonden binnen de reikwijdte van het onder de feiten opgenomen juridische kader van de gegevensverstrekking BRP. De gemeente heeft namelijk (ingevolge artikel 3.9 lid 4 Wet BPR) in de Verordening [woningcorporatie] aangewezen als derde aan wie BRP-gegevens kunnen worden verstrekt als dat noodzakelijk is in het kader van het volgende gewichtige maatschappelijke belang: “Eerlijke verdeling van sociale woonruimte en tegengaan van woonfraude”. De (koopgarant)woning valt volgens de gemeente ook onder het begrip “sociale woonruimte”, omdat het beleid van [woningcorporatie] ingeval van beëindiging van de zelfbewoning door de koper was en is dat [woningcorporatie] de woning weer in volle eigendom verkrijgt om deze vervolgens weer ter beschikking te kunnen stellen ten behoeve van de sociale verhuur.
4.6.
Hierover wordt het volgende overwogen. In de Verordening is het begrip
sociale woonruimte niet gedefinieerd. Naar algemeen spraakgebruik wordt hieronder verstaan een sociale huurwoning (van een woningcorporatie). Voor een ruimere uitleg van dit begrip, in die zin dat daaronder ook de koopgarantwoning van [eiser] moet worden verstaan ziet de rechtbank geen grond, omdat de gegevensverstrekking volgens het Convenant is bedoeld voor sociale huurwoningen van de woningcorporaties. In artikel 6 lid 2 van het Convenant is immers bepaald dat de woningcorporatie slechts om verstrekking of raadpleging van gegevens vraagt die betrekking hebben op sociale huurwoningen van de eigen woningcorporatie. Een ruimere uitleg van het begrip sociale huurwoonruimte verdraagt zich ook niet met het beginsel dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt (artikel 5 lid 1 sub b AVG). Uit het voorgaande volgt dat het juridische kader voor de gegevensverstrekking BRP geen grondslag bood voor de gegevensverstrekking die in deze zaak aan de orde is. Niet gesteld of gebleken is dat er sprake was van een andere verwerkingsgrondslag.
4.7.
De gemeente heeft nog aangevoerd dat zij bij verzoeken van woningcorporaties om verstrekking van persoonsgegevens niet telkens hoeft te controleren of het verzoek past binnen een verwerkingsgrondslag, omdat dit anders niet werkbaar zou zijn. Dit kan de gemeente in dit geval echter niet baten, omdat [woningcorporatie] in de onderwerpregel van de e-mail van 14 november 2025 heeft vermeld dat het verzoek op een “koopwoning” zag. Het was voor de gemeente dus kenbaar dat het informatieverzoek niet over sociale huurwoning ging. Gelet hierop had het op de weg van de gemeente gelegen om onderzoek te doen naar de grondslag voor het verzoek en tenminste hierover navraag te doen bij [woningcorporatie] . Dit heeft de gemeente nagelaten. Dat de ambtenaar van de gemeente de onderwerpregel mogelijk over het hoofd heeft gezien, zoals door de gemeente tijdens de mondelinge behandeling is geopperd, behoort voor rekening en risico van de gemeente te blijven.
4.8.
Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat de gegevensverstrekking in strijd met artikel 6 AVG heeft plaatsgevonden.
4.9.
De AVG bevat in artikel 82 een zelfstandige grondslag voor schadevergoeding. Artikel 82 lid 1 AVG bepaalt dat iedereen die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op de AVG, het recht heeft om van (onder meer) de verwerker (in dit geval: de gemeente) schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade. Uit overweging 85 van de considerans van de AVG volgt dat daarbij onder meer kan worden gedacht aan: materiële of immateriële schade voor natuurlijke personen, zoals verlies van controle over hun persoonsgegevens of de beperking van hun rechten, financiële verliezen, reputatieschade, of enig ander aanzienlijk economisch of maatschappelijk nadeel voor de persoon in kwestie. Overweging 146 licht toe dat het begrip “schade” ruim moet worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van deze verordening. Verder volgt uit die overweging dat de betrokkenen volledige en daadwerkelijke vergoeding van door hen geleden schade dienen te ontvangen. Uit de voornoemde wetsbepaling en de toelichting daarbij volgt dat het begrip “schade” en “immateriële schade” autonoom en uniform moet worden gedefinieerd. binnen het Unierecht, om een doeltreffende naleving van de AVG te kunnen waarborgen, met een gelijkwaardig niveau van bescherming in alle lidstaten (overweging 10 en 11 AVG).
4.10.
Voor de omvang van de te vergoeden schade geldt het volgende kader. [2] Een enkele schending van de AVG volstaat niet om een recht op schadevergoeding toe te kennen. Om voor schadevergoeding op basis van de AVG in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan drie cumulatieve voorwaarden: a) er moet sprake zijn van een verwerking van persoonsgegevens die inbreuk maakt op de AVG, b) er moet (im)materiële schade zijn en c) er moet een causaal verband bestaan tussen de schade en de inbreuk. Immateriële schade hoeft niet een bepaalde mate van ernst te bereiken om voor vergoeding in aanmerking te komen. [3] Dit laat onverlet dat een persoon die is getroffen door een inbreuk op de AVG die voor hem negatieve gevolgen heeft, moet bewijzen dat die gevolgen immateriële schade in de zin van artikel 82, eerste lid, van de AVG vormen. Het bepalen van de omvang van de schadevergoeding wordt - met inachtneming van de Unierechtelijke beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid - aan het nationale recht overgelaten. [4] Om de hoogte van een schadevergoeding ten gevolge van een inbreuk op het bepaalde in de AVG te bepalen dienen de omstandigheden van het geval, waaronder de aard, duur en ernst van de inbreuk in acht te worden genomen. [5]
Materiële schade?
4.11.
Tegen de vordering tot vergoeding van materiële schade heeft de gemeente allereerst ingebracht dat er geen causaal verband bestaat tussen de verkoop van de woning en de gegevensverstrekking. Het is aan [eiser] om aan te tonen dat hij als gevolg van de inbreuk schade heeft geleden. [6]
4.12.
Op dit punt stelt [eiser] , samengevat, het volgende. [woningcorporatie] heeft de verstrekte persoonsgegevens gebruikt om [eiser] oneigenlijk onder druk te zetten om de woning terug te verkopen. Dat blijkt in de eerste plaats uit de correspondentie van [woningcorporatie] naar aanleiding van het verzoek van [eiser] om ontheffing van de zelfbewonings-plicht. In de tweede plaats blijkt dit uit het onder 2.10 bedoelde telefoongesprek. Bij dit gesprek heeft de advocaat van [woningcorporatie] gezegd dat, vanwege het feit dat [eiseres] in [plaats 2] woont, ernstig wordt betwijfeld of [eiser] voldoet aan zijn zelfbewonings-plicht. [eiser] is in dat gesprek zelfs een fraudeur genoemd. Voor juristen in het algemeen en voor [eiser] in het bijzonder vanwege zijn professionele functies, is de enkele schijn van fraude al schadelijk voor het aanzien. Het is een objectief risico, ongeacht hoe het persoonlijk overkomt. Gelet hierop was [eiser] wel genoodzaakt de woning te verkopen, om zijn naam te zuiveren.
4.13.
De rechtbank stelt voorop dat de beslissing tot verkoop van de woning het resultaat is van de persoonlijke afwegingen van [eiser] . Voor de vraag of er causaal verband is tussen de verkoop van de woning en de gegevensverstrekking door de gemeente is dan ook van belang onder welke omstandigheden [eiser] deze beslissing heeft genomen.
4.14.
Vaststaat dat [woningcorporatie] de gegevens heeft gebruikt in het toen lopende juridische
debat tussen de voormalige advocaat van [eiser] en de advocaat van [woningcorporatie] . Dat debat werd gevoerd naar aanleiding van het verzoek van [eiser] om ontheffing te verlenen van de zelfbewoningsplicht omdat hij destijds voornemens was te verhuizen naar [plaats 3] en de woning (tijdelijk) wilde verhuren. Uit de stukken volgt dat [woningcorporatie] de verstrekte gegevens heeft gebruikt in het onder 2.10 telefonische gesprek van 30 januari 2024, waarover mr. Fennema in zijn brief van 14 maart 2024 heeft geschreven.
4.15.
[eiser] stelt dat hij aan alle voorwaarden voldeed om van [woningcorporatie] ontheffing te verkrijgen voor (tijdelijke) verhuur van de woning, zodat dit aspect bij zijn beslissing tot verkoop geen rol heeft gespeeld. Daarin kan hij niet worden gevolgd, gelet op het volgende.
4.16.
[woningcorporatie] voerde destijds het beleid om alle koopgarantwoningen, waarvan zij als erfverpachter bloot eigenaar was gebleven, weer in volle eigendom terug te verkrijgen, zodat zij deze woningen zou kunnen kan aanbieden ten behoeve van de sociale verhuur. Dit bracht mee dat zij [eiser] hield aan de verplichting tot zelfbewoning, zoals blijkt uit de tussen de advocaat van [woningcorporatie] en de (toenmalige) advocaat van [eiser] gevoerde correspondentie.
4.17.
Voor zover [eiser] stelt dat [woningcorporatie] (uiteindelijk) ontheffing van de zelfbewoningsplicht had moeten verlenen, heeft hij dat onvoldoende onderbouwd. [eiser] heeft verwezen naar de uitspraak van rechtbank Midden-Nederland van 15 april 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:3065. In die uitspraak is geoordeeld dat het beroep op de zelfbewoningplicht naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was, nu de woningbouwcorporatie haar beleid had aangepast, in die zin dat de duur van de zelfbewoningverplichting voor nieuwe kopers was verkort naar drie jaar, terwijl de betrokken eigenaar de woning acht jaar geleden had gekocht en al vijf jaar zelf had bewoond. Die situatie is duidelijk verschillend van de situatie van [eiser] , waarin [woningcorporatie] de termijn van zelfbewoning niet had beperkt. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat [woningcorporatie] [eiser] niet aan zijn zelfbewoningsplicht kon houden. Integendeel, het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 8 november 2016 geoordeeld dat de zelfbewoningplicht jegens consumenten niet is aan te merken als onredelijk bezwarend en dat het schenden van de zelfbewoningsplicht uit de erfpachtvoorwaarden een ernstig tekortschieten oplevert dat opzegging van het erfpachtrecht kan rechtvaardigen. [7]
4.18.
Uit het voorgaande volgt dat [woningcorporatie] , ook indien de gegevensverstrekking zou worden weggedacht, [eiser] geen toestemming zou hebben gegeven om de woning aan een derde te verhuren. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zich nog op het standpunt gesteld dat, als hij van [woningcorporatie] geen toestemming zou hebben gekregen om de woning te verhuren, hij zonder de onrechtmatige gegevensverstrekking in de woning zou zijn blijven wonen. Maar, omdat [eiser] in het telefoongesprek van 30 januari 2024 door de advocaat van [woningcorporatie] een fraudeur was genoemd, heeft hij omwille van het beschermen van zijn goede naam afstand genomen van de woning, aldus nog steeds [eiser] . De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de door de gemeente verstrekte gegevens feitelijk juist zijn. Dat [woningcorporatie] op grond van die gegevens vervolgens twijfels heeft over de vraag of [eiser] op dat moment nog in de woning woonde, en [eiser] zich daarna omwille van het beschermen van zijn goede naam genoodzaakt zou voelen om de woning te verkopen, was voor de gemeente redelijkerwijs niet voorzienbaar. Daarbij is mede van belang dat het zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt te begrijpen hoe, indien [eiser] in de woning zou blijven wonen, de beschuldigingen van [woningcorporatie] in de openbaarheid zouden kunnen komen, zodat de mogelijke aantasting van de goede naam van [eiser] ook niet voor de hand ligt. De beslissing om de woning te verkopen maakt de door [eiser] gestelde beschuldigingen bovendien niet ongedaan, zodat de rechtbank ook niet goed begrijpt hoe de beslissing om de woning te verkopen dan zou bijdragen aan het voorkomen van reputatieschade. De gemeente had er gelet op het voorgaande dus geen rekening mee behoeven te houden dat [eiser] omwille van het beschermen van zijn goede naam na de verstrekking van de feitelijk juiste gegevens zou besluiten om afstand van de woning te nemen. De beslissing van [eiser] om de woning te verkopen staat daarmee in een te ver verwijderd verband met de onrechtmatige gegevensverstrekking.
4.19.
Dit een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat het causaal verband tussen
de beslissing tot verkoop van de woning en de gegevensverstrekking niet is komen vast te staan. Er is dan ook geen sprake van te vergoeden materiële schade als bedoeld in artikel 82 AVG.
Immateriële schade?
4.20.
Vervolgens komt de rechtbank toe aan de vordering tot vergoeding van immateriële schade op grond van artikel 82 AVG. Hierbij neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking.
4.21.
Aannemelijk is dat [eisers] c.s. persoonlijk zijn geraakt door de onrechtmatige gegevensverstrekking. Het betreft gegevens die deels gevoelig zijn (gegevens over de relatie tussen [eiser] en [eiseres] ). De verstrekking houdt een verlies van controle in. De gegevens zijn echter enkel aan een professionele partij verstrekt, die aan de in het convenant neergelegde regels is gebonden, zodat niet kan worden gezegd dat de gegevens ‘op straat’ zijn komen te liggen. Dat neemt niet weg dat de gegevens wel degelijk zijn gebruikt ten behoeve van een juridisch geschil tussen [eiser] en [woningcorporatie] , terwijl daar geen grond voor bestond. Nu [eiseres] in beginsel buiten deze discussie stond, gaat de rechtbank ervan uit dat voor [eiser] de impact van de gegevensverstrekking groter is geweest. Dit een en ander leidt de rechtbank tot het oordeel dat [eiseres] aanspraak kan maken op een vergoeding van € 100 en [eiser] op € 300. Hierover zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen.
Overige bepalingen AVG
4.22.
Voor zover [eisers] c.s. hebben gesteld dat de gemeente ook inbreuk heeft gemaakt op andere bepalingen dan artikel 6 AVG, behoeft dit geen verdere bespreking, nu niet gesteld of gebleken is dat [eisers] c.s. als gevolg hiervan meer of andere dan de reeds besproken schade hebben geleden.
Overige verwijten
4.23.
[eiser] heeft ook nog aangevoerd dat i) als gevolg van de vermelding in de e-mail van de gemeente van 14 november 2023 dat de ambtenaar werkzaam is bij een afdeling die zich met fraude bezig houdt, er sinds november 2023 een zweem van fraude om [eiser] hangt die zeer onterecht is en ii) dat de gemeente in deze e-mail verder ten onrechte heeft gesuggereerd dat [eiser] was verhuisd.
4.24.
Deze verwijten zijn niet terecht. De enkele vermelding “Toezichthouder en juridische handhaving onrechtmatige bewoning Coördinator Landelijke Aanpak Adreskwaliteit Team PWO” in de e-mail van 14 november 2023 is niet als onrechtmatig jegens [eiser] aan te merken. De gemeente heeft ook niet gesuggereerd dat [eiser] was verhuisd, maar enkel de vraag gesteld of [woningcorporatie] ervan uitging dat [eiser] niet meer in de woning woonde. Ook dat is niet onrechtmatig jegens [eiser] .
Strijd met Wet BRP?
4.25.
De tweede grondslag van [eisers] c.s. voor aansprakelijkheid is dat de gegevensverstrekking heeft plaatsgevonden in strijd met Wet BRP. Deze grondslag behoeft geen verdere bespreking, omdat deze grondslag niet kan leiden tot een voor [eisers] c.s. gunstiger oordeel over de te vergoeden schade.
Buitengerechtelijke kosten
4.26.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal - worden afgewezen. [eisers] c.s. hebben immers nagelaten een omschrijving te geven van de voor hun rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan [eisers] c.s. vergoeding moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.
Proceskosten
4.27.
Partijen zijn over en weer op punten in het ongelijk gesteld. Gelet hierop zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5.De beslissing

5.1.
veroordeelt de gemeente om aan [eisers] c.s. te betalen een bedrag van
€ 400, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 juni 2025 tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
verklaart het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026. [8]

Voetnoten

1.Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
2.HvJEU 4 mei 2023, C-300/21, ECLI:EU:C:2023:370 (UI/Österreichischer Post AG.
3.Zie in die zin arresten van 20 juni 2024, Scalable Capital (C‑182/22 en C‑189/22, EU:C:2024:531, punt 44), en 4 oktober 2024, Agentsia po vpisvaniyata (C‑200/23, EU:C:2024:827, punt 149).
4.HvJEU 13 juli 2006, C-295/04-298/04 (Manfredi).
5.Vgl. ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:898 en ECLI:NL:RVS:2020:899.
6.Vgl HvJEU 20 juni 2024, ECLI:EU:C:2024:536, punt 25 (AT &BT/PS GbR e.a.).
7.Hof Den Haag 8 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:4140 (erfpachters/Woonbron).
8.type: 1554