ECLI:NL:RBDHA:2026:4241

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
NL25.46065
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMParagraaf B7/3.8.1. Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing mvv-aanvraag wegens onvoldoende beoordeling gezinsleven grootouders en kleinkinderen

Eisers, grootouders met de Afghaanse nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij hun zoon en diens gezin in Nederland te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat er volgens hem geen gezinsleven bestond tussen eisers en hun kleinkinderen, noch bijkomende afhankelijkheid tussen eisers en hun zoon en schoondochter.

Eisers stelden in beroep dat er wel degelijk sprake is van gezinsleven, onder meer omdat zij langdurig met het gezin hebben samengewoond en de kleinkinderen zes maanden zonder hun ouders bij hen verbleven. Ook speelden zij een grote rol in de opvoeding vanwege de jonge leeftijd van de moeder. De rechtbank oordeelde dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen hechte persoonlijke banden zijn, met name omdat de periode van samenwoning zonder ouders niet is betrokken in de besluitvorming.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarin deze omstandigheden worden betrokken. De rechtbank veroordeelt de minister tevens in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag en draagt op tot een nieuw besluit met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46065

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer 1] , eiser

[eiseres], V-nummer: [v-nummer 2] , eiseres
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. A. Roozdar),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 25 augustus 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 9 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers, de heer Khanna als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eisers hebben de Afghaanse nationaliteit. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1963 en eiseres op [geboortedatum 2] 1962. Namens eisers is op 22 april 2024 een mvv aangevraagd omdat zij in Nederland willen verblijven bij hun zoon, [referent] (referent). Referent verblijft sinds 2021 in Nederland met zijn vrouw en kinderen en heeft een verblijfsvergunning asiel.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat tussen de familieleden geen gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en zijn echtgenote aan de ene kant, en eisers aan de andere kant. Tussen eisers en hun kleinkinderen – de kinderen van referent – bestaan geen hechte persoonlijke banden.
Wat vinden eisers in beroep?
4. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit en voeren allereerst aan dat tussen eisers en hun kleinkinderen wel sprake is van gezinsleven. Zij hebben namelijk langdurig met het hele gezin samengewoond en daarnaast hebben de kleinkinderen zes maanden lang zonder hun ouders bij eisers gewoond. Eiseres heeft een grote rol in de opvoeding van de kinderen gespeeld, omdat hun moeder slechts 15 jaar was toen zij voor het eerst moeder werd. Eisers verwijzen naar twee arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over de hechte persoonlijke banden. [1] Daarnaast is er volgens eisers wel sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers, referent en de echtgenote van referent. Zij hebben namelijk langdurig samengewoond, eisers zijn financieel afhankelijk van referent en verweerder heeft onvoldoende betrokken dat de gezinsleden onvrijwillig van elkaar zijn gescheiden omdat referent moest vluchten.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en zal het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Gezinsleven tussen eisers en hun kleinkinderen
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet deugdelijk gemotiveerd dat er geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen eisers en hun kleinkinderen.
7. Uit het beleid [2] van verweerder volgt dat beschermingswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen een minderjarig kind en zijn grootouder wordt aangenomen, als uit de feiten en omstandigheden volgt dat daadwerkelijk sprake is van hechte persoonlijke banden. Hechte persoonlijke banden is een begrip van feitelijke aard. Of daarvan sprake is, moet dus altijd worden afgeleid uit een zorgvuldige en gemotiveerde weging van de feitelijke situatie. De rechtbank volgt verweerder erin dat uit de rechtspraak van het EHRM die eisers hebben aangevoerd, niet volgt dat samen hebben gewoond op zichzelf genoeg is om hechte persoonlijke banden aan te nemen. [3] Wel moet verweerder eerdere samenwoning, net als de andere relevante omstandigheden, betrekken bij de beoordeling van de feitelijke aanwezigheid van hechte persoonlijke banden.
8. Niet in geschil is dat eisers en hun kleinkinderen een lange tijd samen hebben gewoond en dat daaronder ook een periode van zes maanden valt waarin twee van de nog minderjarige kleinkinderen alleen met eisers woonden, zonder hun ouders. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de periode van samenwoning zonder de ouders niet in de besluitvorming is betrokken en dat dit een gebrek in het bestreden besluit oplevert. Verweerder heeft zich echter op het standpunt gesteld dat dit gebrek te passeren is, omdat ook als deze periode wordt meegewogen, er geen hechte persoonlijke banden bestaan tussen eisers en hun kleinkinderen.
9. De rechtbank is van oordeel dat er inderdaad sprake is van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit omdat verweerder niet heeft betrokken dat twee van de nog minderjarige kinderen van referent zes maanden lang alleen met eisers hebben gewoond. Anders dan verweerder ziet de rechtbank echter geen aanleiding om dit gebrek te passeren. De rechtbank is namelijk van oordeel dat verweerder ook onvoldoende in de besluitvorming heeft betrokken dat de moeder van de kinderen op erg jonge leeftijd moeder is geworden, zodat het aannemelijk is dat de moeder meer hulp nodig had en dat eiseres daarom vanaf de geboorte van de kinderen een grote rol heeft gespeeld in de opvoeding van de kinderen. Dit is in de bezwaarfase al aangevoerd en hierover hebben referent en zijn echtgenote onder andere verklaard tijdens de hoorzittingen van 28 mei 2024 en 26 juni 2025. De twee genoemde omstandigheden, namelijk de eerdere samenwoning zonder ouders en de jonge leeftijd van de moeder van de kinderen, zijn in samenhang van invloed op de aanwezigheid van hechte persoonlijke banden tussen eisers en hun kleinkinderen. De rechtbank zal verweerder daarom opdragen een nieuw besluit te nemen en deze omstandigheden in de motivering of er sprake is van hechte persoonlijke banden te betrekken.
Gezinsleven tussen eisers, referent en de echtgenote van referent
10. De grond van eisers dat verweerder moest aannemen dat eisers gezinsleven hebben met referent en zijn echtgenote, slaagt niet. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het peilmoment in reguliere gezinsherenigingszaken voor de vraag of er sprake is van familie- of gezinsleven het moment van het besluit op de aanvraag is. [4] Uit dezelfde uitspraak volgt ook dat verweerder op het moment van zijn besluit op bezwaar alle feiten en omstandigheden moet betrekken die relevant zijn voor de beoordeling van het familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, waaronder feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan sinds het primaire besluit. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in dit geval alle relevante aspecten betrokken bij de beoordeling of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun zoon en schoondochter. Dat eisers eerder met hen samen hebben gewoond, is hiertoe niet voldoende en over de financiële steun heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat deze op afstand kan worden voortgezet. Ook de gedwongen aard van de scheiding hoefde niet te leiden tot de conclusie dat bijkomende elementen van afhankelijkheid aanwezig zijn. Er is namelijk niet gebleken dat het feit dat referent en zijn gezin Afghanistan gedwongen hebben verlaten, in de huidige situatie invloed heeft op de onderlinge afhankelijkheid.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, een bestuurlijke lus toe te passen of zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
13. Ook bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 25 augustus 2025;
  • draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868,-;
  • bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de arresten van het EHRM van 9 juni 1998,
2.Paragraaf B7/3.8.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4685.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630.