Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende op 23 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn gestelde partner, een Bulgaarse burger, te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bewijs van een duurzame relatie. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk omdat geen bezwaargronden waren ingediend.
Eiser stelde dat hij de bezwaargronden tijdig had ingediend op 27 maart 2025 en overlegde track-and-tracegegevens waaruit bleek dat de stukken op dezelfde dag bij verweerder waren bezorgd. De rechtbank oordeelde dat eiser aannemelijk had gemaakt dat het bezwaar tijdig was ingediend en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het bezwaar niet-ontvankelijk zou zijn.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op om het bezwaar inhoudelijk te behandelen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser en moest het betaalde griffierecht worden vergoed. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was beslist.