Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4242

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/11267 en AWB 25/11268
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij partner vernietigd wegens ontvankelijkheid bezwaar

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende persoon, diende op 23 april 2024 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER om bij zijn gestelde partner, een Bulgaarse burger, te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van bewijs van een duurzame relatie. Vervolgens verklaarde verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk omdat geen bezwaargronden waren ingediend.

Eiser stelde dat hij de bezwaargronden tijdig had ingediend op 27 maart 2025 en overlegde track-and-tracegegevens waaruit bleek dat de stukken op dezelfde dag bij verweerder waren bezorgd. De rechtbank oordeelde dat eiser aannemelijk had gemaakt dat het bezwaar tijdig was ingediend en dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom het bezwaar niet-ontvankelijk zou zijn.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op om het bezwaar inhoudelijk te behandelen. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiser en moest het betaalde griffierecht worden vergoed. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de bodemzaak was beslist.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht aan verweerder het bezwaar inhoudelijk te behandelen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/11267 en AWB 25/11268
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER, met als doel verblijf bij een burger van de Unie. Ook beoordeelt de voorzieningenrechter eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1999. Op 23 april 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument voor verblijf bij een burger van de Unie, [referente] (referente). Referente is de gestelde partner van eiser en heeft de Bulgaarse nationaliteit. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is gebleken van een duurzame relatie tussen eiser en referente. Verweerder heeft het bezwaar van eiser kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiser volgens verweerder geen bezwaargronden heeft ingediend. [1]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder het bezwaar niet niet-ontvankelijk mocht verklaren. Eiser heeft namelijk op 27 maart 2025 zijn bezwaargronden opgestuurd naar verweerder en de stukken zijn dezelfde dag bezorgd. Eiser heeft de bezwaargronden hiermee op tijd ingediend, omdat verweerder hem tot 9 april 2025 de tijd had gegeven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aannemelijk gemaakt dat de bezwaargronden op 27 maart 2025 zijn verzonden en zijn bezorgd bij verweerder. De gemachtigde van eiser heeft namelijk track-and-tracegegevens overgelegd waaruit blijkt dat hij op 27 maart 2025 een pakket heeft verzonden naar het adres van verweerder in Ter Apel en dat dit pakket op dezelfde dag is bezorgd. Daarnaast heeft de gemachtigde van eiser de bezwaargronden, gedateerd op 27 maart 2025, overgelegd. Nu de datering van de bezwaargronden overeenkomt met de verzending van het stuk, vindt de rechtbank voldoende aannemelijk dat het bezorgde pakket de bezwaargronden bevatte.
6. Met zijn stelling dat de track-and-tracegegevens kunnen zien op stukken van een andere zaak van de gemachtigde van eiser, heeft verweerder het vermoeden dat de bezwaargronden in deze zaak zijn bezorgd, niet ontzenuwd. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting namelijk niet kunnen wijzen op een andere zaak van de gemachtigde van eiser waarin op dezelfde dag stukken zijn ontvangen. De rechtbank ziet zonder een meer specifieke indicatie onvoldoende aanleiding om te concluderen dat gemachtigde stukken van een andere zaak heeft verzonden. Ook het betoog van verweerder dat Indigo in het algemeen geldt als deugdelijk verzend- en registratiesysteem, maakt niet dat het vermoeden dat het stuk is bezorgd, is ontzenuwd, nu in dit specifieke geval juist uit de gegevens van PostNL volgt dat wel een stuk bij verweerder is bezorgd en Indigo geen registratie heeft van dit stuk in deze of een andere zaak van gemachtigde. Dat het stuk niet per aangetekende post is verzonden, maakt dit niet anders, nu de verzending en bezorging via track and trace zijn geregistreerd door PostNL.
7. Gelet op het voorgaande mocht verweerder het bezwaar van eiser niet niet-ontvankelijk verklaren. Verweerder zal inhoudelijk moeten beslissen op het bezwaar van eiser op basis van wat hij heeft aangevoerd in de bezwaargronden.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat verweerder de aanvraag van eiser inhoudelijk zal moeten gaan behandelen.
8.1.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,-. [2]
8.2.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.
8.3.
Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] .

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 2.802,-;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser te vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie artikel 6:5 en Pro artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.