Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4243

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25/5237
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf als gezinslid wegens schending hoorplicht vernietigd

Eiser, met de Kameroense nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om bij zijn vader in Nederland te verblijven. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet voldoende was aangetoond, met name vanwege het ontbreken van een recent uittreksel van de geboorteakte en onduidelijkheid over het ouderlijk gezag.

Eiser voerde in bezwaar en beroep aan dat de relatie wel was aangetoond met een gelegaliseerd uittreksel van de geboorteakte en dat het ouderlijk gezag niet relevant was omdat hij inmiddels meerderjarig is. Tevens stelde hij dat verweerder de hoorplicht had geschonden door hem niet te horen, terwijl dit noodzakelijk was voor een zorgvuldige belangenafweging, zeker gezien artikel 8 EVRM Pro.

De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte van een hoorzitting heeft afgezien, omdat er sprake was van een twijfelgeval en eiser voldoende inspanningen had verricht om de gevraagde stukken te verkrijgen. De schending van de hoorplicht maakte het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf verweerder drie maanden om een nieuw besluit te nemen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak. Tevens werden de proceskosten en het griffierecht aan eiser toegewezen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens schending van de hoorplicht; verweerder moet binnen drie maanden een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/5237

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigden: mr. A.F.C. Lensen en mr. J.S. Maas),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 28 november 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 19 februari 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigden van eiser, Z.K. Botani als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft de Kameroense nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 2006. Namens eiser is een mvv aangevraagd omdat hij in Nederland wil verblijven bij zijn vader, [referent] (referent).
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de familierechtelijke relatie tussen eiser en referent niet is aangetoond. De gelegaliseerde kopie van de geboorteakte van eiser uit 2020 is hiertoe niet genoeg, omdat een recent uittreksel nodig is. Daarnaast is niet aangetoond dat referent het ouderlijk gezag over eiser heeft (gehad). Verweerder neemt daarom niet aan dat er sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [1]
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. De familierechtelijke relatie tussen eiser en referent is wel aangetoond met het gelegaliseerde uittreksel van de geboorteakte dat bij de aanvraag is overgelegd. In beroep legt eiser daarnaast alsnog een recent en gelegaliseerd afschrift van de geboorteakte over. De vraag of referent het ouderlijk gezag heeft uitgeoefend, is niet meer relevant omdat eiser inmiddels meerderjarig is. Tussen eiser en referent bestaat gezinsleven, nu referent en de moeder van eiser op het moment van verwekking een relatie hadden. Tussen eiser en referent bestaan daarnaast hechte persoonlijke banden. Eiser heeft in beroep nog WhatsApp-berichten, foto’s en een verklaring van zijn moeder ingebracht. Tot slot heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Verweerder moest eiser namelijk horen om de omstandigheden van het geval en de belangen compleet in kaart te brengen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
6. De rechtbank is met eiser eens dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Zoals de hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld is het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is, de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. De hoogste bestuursrechter wijst daarbij expliciet op zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [2]
7. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte op het standpunt gesteld dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. De rechtbank vindt voor dit oordeel allereerst van belang wat is aangevoerd over de geboorteakte van eiser. In de gronden van het bezwaar heeft eiser namelijk betoogd dat het niet nodig is een recenter uittreksel van zijn geboorteakte over te leggen, omdat een geboorte een onveranderlijke gebeurtenis is. Daarnaast heeft eiser verzocht om, als verweerder een recent uittreksel toch nodig vindt, hem de gelegenheid te bieden deze alsnog over te leggen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser hiermee begrijpelijke vragen opgeworpen over de noodzaak van de gevraagde stukken. Ook heeft eiser hiermee laten zien dat hij ‘met de staatssecretaris heeft gecommuniceerd over zijn pogingen om de verzochte informatie boven tafel te krijgen’ en ‘bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van die informatie.’ Uit de hiervoor besproken uitspraak volgt dat dit omstandigheden zijn die verweerder mee moet wegen in de beoordeling of kan worden afgezien van een hoorzitting, met als vuistregel dat horen meer in de rede ligt naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht en meer heeft gecommuniceerd. [3] Het feit dat eiser in de beroepsfase alsnog een recenter uittreksel van de geboorteakte heeft overgelegd, geldt als verdere indicatie dat eiser hiertoe bereid was en dit mogelijk al in de bezwaarfase had gedaan als verweerder was overgegaan tot horen. Daar komt bij dat verweerder in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser in bezwaar alsnog een volledig gelegaliseerd exemplaar heeft overgelegd van de uitspraak over het ouderlijk gezag. Naar het oordeel van de rechtbank volgt ook uit het overleggen van dit stuk dat eiser actieve inspanningen heeft verricht om zijn situatie nader te onderbouwen. Verweerder heeft betoogd dat uit de uitspraak niet volgt dat referent het ouderlijk gezag over eiser had, omdat de familierechtelijke relatie niet is aangetoond. Dit standpunt hangt naar het oordeel van de rechtbank echter dusdanig samen met de beoordeling van de geboorteakte, dat verweerder ook deze conclusie niet kon bereiken zonder eiser en/of referent te horen. Ook waar verweerder betwist dat referent en de moeder van eiser een relatie hebben gehad en wat betreft de hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent, lag het op de weg van verweerder om de situatie uit te vragen op een hoorzitting. Uit het geheel van de in bezwaar en beroep overgelegde stukken, waaronder een verklaring van de moeder van eiser, volgt naar het oordeel van de rechtbank namelijk dat ten minste sprake was van een twijfelgeval met betrekking tot de verhoudingen tussen de verschillende betrokkenen. Dit alles klemt te meer nu eiser inmiddels de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en dus niet opnieuw een aanvraag in kan dienen onder hetzelfde beoordelingskader voor het gezinsleven tussen een minderjarige en zijn ouder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit wegens schending van de hoorplicht onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte zonder hoorzitting afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van drie maanden. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen.
8.2.
De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [4]
8.3.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 19 februari 2025;
  • draagt verweerder op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van
€ 1.868,-;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 194,- moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
3.Zie rechtsoverweging 5.2 van de in voetnoot 2 genoemde uitspraak.
4.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.