Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4244

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
4 maart 2026
Zaaknummer
AWB24/21383
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.30 VreemdelingenbesluitArt. 3.20a Voorschrift VreemdelingenBijlage 8a bij artikel 3.20a VVParagraaf B6/4.5 Vreemdelingencirculaire
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens ontbreken noodzakelijke stukken en inschrijving Kamer van Koophandel

Eiseres, een Zuid-Koreaanse nationaliteit, vroeg op 2 mei 2024 een verblijfsvergunning aan voor arbeid als zelfstandige in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat eiseres niet was ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en onvoldoende stukken had overgelegd om aan te tonen dat haar onderneming een wezenlijk Nederlands belang diende. Eiseres kon zich niet inschrijven in het Handelsregister omdat zij geen BSN kon verkrijgen via de BRP, maar wel via de RNI, wat zij niet had benut.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen advies van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) had gevraagd, omdat de aanvraag en het bezwaar onvoldoende onderbouwd waren met noodzakelijke financiële stukken en een concreet ondernemingsplan. De aanvullende stukken die eiseres in de beroepsfase overlegde, konden niet worden meegewogen omdat de toetsing plaatsvindt op het moment van aanvraag en bezwaar.

De rechtbank benadrukte dat eiseres vrij staat een nieuwe aanvraag in te dienen en dat het wenselijk is dat zij juridisch advies inwint. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, handhaafde de afwijzing van de aanvraag en wees het verzoek om griffierecht en proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/21383

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

V-nummer: [v-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige.’
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 6 juni 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 27 november 2024 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, J. Yoo als tolk, en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres heeft de Zuid-Koreaanse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1973. Eiseres heeft op 2 mei 2024 een aanvraag gedaan voor een verblijfsvergunning, omdat zij in Nederland wil ondernemen.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat niet is gebleken dat met haar activiteiten een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. [1] Allereerst heeft eiseres haar onderneming niet ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, terwijl dit wel is vereist. Daarnaast heeft eiseres niet de noodzakelijke stukken ingediend en kan eiseres op basis van de wel overgelegde stukken, waaronder het ondernemingsplan, niet voldoende punten halen onder het puntenstelsel uit bijlage 8a bij het VV. Verweerder heeft daarom geen advies opgevraagd bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO) over de vraag of de arbeid van eiseres een wezenlijk Nederlands belang dient.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert het volgende aan. Allereerst is het voor haar niet mogelijk om zich in te schrijven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Ze kan zich namelijk niet inschrijven in de basisregistratie personen (BRP) en ook niet via de registratie niet-ingezetenen (RNI). Daarom kan zij geen burgerservicenummer (BSN) krijgen, dat nodig is voor de inschrijving in het Handelsregister. Daarnaast heeft eiseres in beroep verschillende stukken overgelegd om te onderbouwen dat zij voldoet aan de eisen die aan haar onderneming worden gesteld. Hieronder vallen financiële stukken, een bankafschrift van de echtgenoot van eiseres en een toelichting van het innovatieve karakter van haar onderneming. Ook heeft eiseres een leveringscontract, een steunverklaring en zakelijke correspondentie overgelegd ter verdere onderbouwing van de haalbaarheid van en de vraag naar haar onderneming.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Inschrijving bij de Kamer van Koophandel
6. Zoals verweerder heeft benoemd, was de BRP niet de juiste route voor eiseres om een BSN te verkrijgen. Zij kan zich namelijk niet inschrijven in de BRP zolang zij geen verblijfsvergunning heeft. Dit is ook duidelijk geworden in de procedure die eiseres heeft gevoerd bij de gemeente Den Haag. Eiseres kan echter wel een BSN verkrijgen via de RNI. Inschrijving in de RNI is namelijk bedoeld voor de situatie dat iemand tijdelijk (minder dan vier maanden) in Nederland verblijft. Op basis van haar Zuid-Koreaanse nationaliteit mag eiseres nu steeds voor 90 dagen zonder visum in Nederland verblijven. Zij kan zich dus voor die periode van 90 dagen – zoals zij eerder naar Nederland is gekomen om haar dochter te bezoeken – registreren in de RNI en zo een BSN verkrijgen. Op deze manier kon eiseres haar onderneming wel inschrijven in het Handelsregister. Verweerder mocht daarom van eiseres verwachten dat zij bij haar aanvraag een inschrijving in het Handelsregister indiende.
De documenten over de onderneming van eiseres
7. Een verblijfsvergunning met als doel ‘arbeid als zelfstandige’ kan worden verleend aan een persoon van buiten de Europese Unie die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend. [2] Als voldoende stukken zijn overgelegd, legt verweerder de aanvraag voor aan de RvO, die dan namens de minister van Economische Zaken beoordeelt of aan de voorwaarden is voldaan. De beoordeling wordt gemaakt aan de hand van een puntenstelsel, waarbij punten worden toegekend voor persoonlijke ervaring, het ondernemingsplan, en de toegevoegde waarde voor de Nederlandse economie. [3] In bijlage 8a bij artikel 3.20a van het VV, en paragraaf B6/4.5 van de Vc is opgesomd welke stukken en gegevens overgelegd moeten worden. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter volgt dat verweerder mag verlangen dat de aanvrager de volgens paragraaf B6/4.5 van de Vc vereiste stukken overlegt. [4]
8. De vraag die de rechtbank in dit beroep moet beantwoorden, is of eiseres bij haar aanvraag of in bezwaar de nodige stukken heeft overgelegd, zodat verweerder haar aanvraag aan de RvO moest voorleggen.
9. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat verschillende noodzakelijke stukken ontbraken bij de aanvraag en in de bezwaarfase. Allereest ontbraken financiële stukken die door een onafhankelijke deskundige derde zijn opgesteld en goedgekeurd. Verweerder mocht er daarnaast op wijzen dat het ondernemingsplan, ook met de aanvullingen in bezwaar, algemeen is gebleven. Met het plan is de marktpotentie niet aannemelijk gemaakt en is slechts beperkt onderbouwd waarom de onderneming van eiseres onderscheidend is. Daarnaast mocht verweerder erop wijzen dat de stukken geen specifiek inzicht geven in het innovatieve karakter van de onderneming of de mogelijke arbeidscreatie. De rechtbank kan daarom niet anders dan constateren dat in de aanvraag- en bezwaarfase noodzakelijke stukken ontbraken. Daarom was op voorhand duidelijk dat uit een beoordeling door de RvO geen positief advies kon volgen.
10. In de beroepsfase bij de rechtbank heeft eiseres weliswaar nog veel aanvullende stukken ingediend, maar deze maken het oordeel niet anders. De rechtbank moet namelijk toetsen of er op het moment van de aanvraag of in bezwaar al voldoende stukken waren. De stukken die eiseres nu heeft overgelegd, kunnen daarom niet meer in deze procedure worden meegenomen. De rechtbank volgt verweerder dus in zijn primaire standpunt dat de stukken in de beroepsfase buiten beschouwing moeten worden gelaten. De rechtbank zal niet op de inhoud van de stukken ingaan.
11. De rechtbank wijst erop dat het eiseres vrij staat om een nieuwe aanvraag in te dienen, als zij dat wil. Hierbij kan het wenselijk zijn dat eiseres juridisch advies inschakelt, specifiek voor dit soort aanvragen, omdat het gaat om ingewikkelde materie. Van verweerder mag vervolgens verwacht worden dat hij met eiseres in gesprek gaat over wat nodig is om de aanvraag compleet te maken. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat ook de stukken die eiseres in de beroepsfase heeft overgelegd, onvoldoende zouden zijn om aan haar een verblijfsvergunning toe te kennen. De rechtbank treedt – zoals hierboven uitgelegd – in deze uitspraak niet in de inhoudelijke beoordeling van die stukken, maar ziet in deze stelling van verweerder wel des te meer aanleiding voor partijen om in gesprek te gaan over wat er nog nodig is om een eventuele volgende aanvraag compleet te maken.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 3.30, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), bijlage 8a bij artikel 3.20a, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen (VV) en paragraaf B6/4.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc).
2.Artikel 3.30, eerste lid, onder a, van het Vb.
3.Artikel 3.20a van het VV.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1685.