ECLI:NL:RBDHA:2026:4282
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen verwijderingsmaatregel wegens geen rechtmatig verblijf op grond van Unierecht afgewezen
Eiser, een Poolse Unieburger die een zwervend bestaan leidt in Nederland en sinds april 2024 geen reële arbeid meer verricht, kreeg een verwijderingsmaatregel opgelegd omdat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. De minister van Asiel en Migratie stelde dat het belang van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt dan het belang van eiser om te blijven.
Eiser voerde aan dat de verwijderingsmaatregel onevenredig belastend is en dat hij onvoldoende is geïnformeerd over hoe hij zijn verblijf daadwerkelijk en effectief kan beëindigen, zoals vereist volgens het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de EU. De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende heeft geïnformeerd via de Werkinstructie 2023/3, waarin de relevante elementen voor beëindiging van verblijf zijn opgenomen.
De rechtbank erkent dat voor dakloze personen zoals eiser veel elementen uit het arrest F.S. niet van toepassing zijn, maar dat dit niet leidt tot onduidelijkheid over de beëindiging van het verblijf. De toets of het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd, vindt pas plaats na vertrek en eventuele terugkeer, en is casuïstisch van aard. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de verwijderingsmaatregel wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.