ECLI:NL:RBDHA:2026:4349

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
26-984
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 5.1 OmgevingswetArt. 2:87 APV Den HaagArt. 2:88 APV Den HaagArt. 2:95 APV Den Haag
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor kap van twee bomen

De zaak betreft een voorlopige voorziening tegen een door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende omgevingsvergunning voor het kappen van een tweestammige den en een lariks in de achtertuin van een woning. Verzoekster betwist het besluit en voert aan dat de belangenafweging onvolledig en onvoldoende gemotiveerd is.

De voorzieningenrechter beoordeelt of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of er sprake is van spoedeisend belang. Gezien het voorgenomen kappen vóór het broedseizoen is het spoedeisend belang voldoende aannemelijk. Uit het bestreden besluit blijkt dat het college de vergunning heeft verleend op basis van een advies van de groenbeheerder, die de noodzaak van kap aannemelijk achtte en het belang van de aanvrager zwaarder liet wegen dan de waarden van de bomen.

Verzoekster stelt dat de bomen gezond, volwassen en beeldbepalend zijn en dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met ecologische, klimaat- en wijkkarakteraspecten. Ook is geen herplantplicht opgelegd. De voorzieningenrechter constateert dat de belangenafweging in het bestreden besluit niet op inzichtelijke wijze is gemaakt, met name ten aanzien van de gevolgen van de tweestammige den en de lariks. De ernst en termijn van mogelijke constructieschade zijn onvoldoende onderbouwd en de motivering over de toekomstverwachting van de lariks is onduidelijk.

Gezien de onomkeerbare gevolgen van het kappen van de bomen en de twijfel over de motivering, wordt het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen. Het bestreden besluit wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep, waarbij het college het griffierecht aan verzoekster moet vergoeden.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de omgevingsvergunning voor het kappen van de twee bomen wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/984

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster], te [woonplaats], verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigden: mr. M.H.F. Bucx en [gemachtigde]).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[derde-partij], te [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over een aan vergunninghouder verleende omgevingsvergunning voor het kappen van twee bomen in zijn tuin. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker. Ook vindt een weging van de betrokken belangen plaats.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is de belangenafweging die het college heeft gemaakt onvoldoende inzichtelijk en moet daarom worden betwijfeld of het bestreden besluit zonder aanvulling van de motivering in beroep in stand kan blijven. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft een omgevingsvergunning aangevraagd voor het kappen van een tweestammige den en een lariks in de achtertuin van zijn woning aan de [adres] in [plaats].
Met het besluit van 9 september 2025 heeft het college deze aanvraag afgewezen. Vergunninghouder heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 20 januari 2026 heeft het college het besluit van 9 september 2025 herroepen en de gevraagde omgevingsvergunning alsnog verleend. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 26/985) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Vergunninghouder heeft een aantal verklaringen van zijn buren overgelegd.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigden van het college, vergezeld door [naam 1] (groenbeheerder) en vergunninghouder, vergezeld door [naam 2] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
4. Uit de stukken en hetgeen op de zitting is besproken is gebleken dat vergunninghouder de bomen vóór het begin van het komende broedseizoen (vanaf 15 maart 2026) wil kappen. Gelet hierop heeft verzoekster een voldoende spoedeisend belang bij haar verzoek.
Bestreden besluit
5. In het bestreden besluit is overwogen dat de groenbeheerder op 17 december 2025 de situatie op locatie opnieuw heeft beoordeeld. Naar aanleiding hiervan heeft de groenbeheerder in een belangenafwegingsformulier (BAF) geadviseerd de aangevraagde omgevingsvergunning alsnog te verlenen. De noodzaak voor het kappen van de bomen is hiermee voldoende aannemelijk gemaakt en het belang van de aanvrager om de bomen te kappen weegt zwaarder dan de waarden die de bomen vertegenwoordigen, aldus het college. Aangezien de achtertuin kleiner is dan 100 m², is geen herplantplicht opgelegd.
Gronden
6. Verzoekster voert aan dat zij rechtstreeks gevolgen ondervindt van het bestreden besluit. Het vellen van de bomen heeft gevolgen voor haar woon- en leefklimaat, haar uitzicht en de groenbeleving en het karakter van de directe woonomgeving. Zij stelt dat het bestreden besluit is gebaseerd op een onevenwichtige belangenafweging waarbij subjectieve overlast, zoals naalden en schaduw, doorslaggevend is geacht en het collectieve en structurele belang van volwassen bomen onvoldoende is meegewogen. Daarnaast zijn de bomen volgens verzoekster gezond, volwassen en beeldbepalend voor de wijk. Zij wijst erop dat bovendien geen herplantplicht is opgelegd en dat geen rekening is gehouden met het cumulatieve verlies van groen in de directe omgeving.
Verzoekster acht daarnaast de stelling dat de bomen geen bijzondere natuur- of milieuwaarde zouden hebben, niet onderbouwd. Verder is er volgens haar ten onrechte geen ecologisch onderzoek uitgevoerd, geen kenbare afweging gemaakt van klimaatadaptatie, biodiversiteit en wijkkarakter en is er geen rekening gehouden met de ligging in de Vogelwijk, nabij de Haagse duinen. Tot slot betoogt verzoekster dat het college haar in de bezwaarfase ten onrechte niet heeft gehoord.
Toetsingskader
7. Ingevolge artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten.
Op grond van artikel 22.8 van de Omgevingswet geldt, voor zover op grond van een bepaling in een gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist voor een geval waarin regels over de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.7, eerste lid, alleen in het omgevingsplan mogen worden opgenomen, een zodanige bepaling als een verbod om zonder omgevingsvergunning een activiteit te verrichten als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a.
Ingevolge artikel 2:87, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV), voor zover hier van belang,, is het verboden een houtopstand zonder vergunning van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.
Ingevolge artikel 2:88, eerste lid, van de APV kan het bevoegd gezag de vergunning als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:
- natuur-, educatieve en milieuwaarden;
- belevings- en gebruikswaarden.
Ingevolge artikel 2:95 van Pro de APV wordt de afstand tot de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van Pro het Burgerlijk Wetboek vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.
8. Uit het door de groenbeheerder ingevulde BAF van 17 december 2025 blijkt dat beide bomen enigszins van belang zijn als achtertuinboom en in verband met hun zichtbaarheid vanaf de straat. Dat brengt mee dat op grond van artikel 2:88, eerste lid, van de APV door het college een belangenafweging dient te worden gemaakt.
Tweestammige den
9. In het BAF van 17 december 2025 is opgenomen dat de bomen op zichzelf geen bijzondere waarden vertegenwoordigen. Daar staat tegenover dat uit het BAF volgt dat de bomen een redelijke toekomstverwachting hebben en dat zij geen overlast veroorzaken. In de toelichting op het BAF (RIS288980) staat dat normale val van blad, bessen, zaden, vruchten, pluizen en vogelpoep bij de natuurlijke situatie van bomen hoort, seizoensgebonden is (veelal hooguit enkele weken) en om die reden dan ook niet wordt beschouwd als overlast. Hieruit leidt de voorzieningenrechter af dat de door vergunninghouder en zijn buren ervaren hinder van naalden, dennenappels en dergelijke niet wordt beschouwd als overlast die in kader van de te maken belangenafweging gewicht in de schaal legt. Dit wordt bevestigd in het BAF, waarin is aangekruist dat de overlast van boomafval geen rol speelt bij het advies om in te stemmen met het rooien van de bomen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter betekent dit dat het college in de te maken belangenafweging dient te beoordelen of er andere belangen zijn die pleiten voor het kappen van de bomen. Naar voorlopig oordeel is die belangenafweging in het bestreden besluit niet op inzichtelijke wijze gemaakt. De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende.
9.1.
In het BAF staat dat de tweestammige den te groot is voor zijn standplaats. Naar voorlopig oordeel is echter onduidelijk gebleven welke concrete onwenselijke gevolgen dit heeft, anders dan de hiervoor al genoemde ervaren hinder van naalden, dennenappels en dergelijke. In het BAF noch in het bestreden besluit wordt inzichtelijk gemaakt hoe deze omstandigheid is meegewogen in de beslissing om in te stemmen met het vellen van de tweestammige den.
9.2.
Verder is in het BAF vermeld dat de den te dicht bij de erfgrens staat. Uit de door vergunninghouder overgelegde stukken blijkt dat zijn buurvrouw zich hierover ook bij hem heeft beklaagd. Op de zitting is echter door de groenbeheerder toegelicht dat de afstand van de den tot de erfgrens meer bedraagt dan de 50 centimeter die op grond van artikel 2:95 van Pro de APV in acht genomen moet worden. In hoeverre de afstand van de tweestammige den tot de erfgrens desalniettemin een omstandigheid is die heeft bijgedragen aan de toestemming om tot het vellen van deze boom over te gaan, blijkt naar voorlopig oordeel niet uit het bestreden besluit.
9.3.
Tot slot is in het BAF opgenomen dat door de aanwezigheid van de den mogelijk op langere termijn constructieschade kan ontstaan. Op de zitting heeft de groenbeheerder toegelicht dat het hierbij kan gaan om aantasting van de fundering van de schutting en een nabijgelegen schuurtje. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat in het bestreden besluit geen nadere toelichting en onderbouwing is gegeven van de ernst van de gevreesde schade en de termijn waarbinnen deze te verwachten is. Met name is niet inzichtelijk gemaakt of het de verwachting is dat deze schade zich nog binnen de geschatte levensduur van de tweestammige den van 5 tot 10 jaar zal voordoen. De voorzieningenrechter gaat voorbij aan het ter zitting ingenomen standpunt van het college dat sprake is van wortelopdruk die mogelijk tot schade leidt en gevaarlijk kan zijn voor spelende kinderen in de tuin, reeds omdat dit standpunt niet is ingenomen in het bestreden besluit en niet nader met concrete en verifieerbare gegevens is onderbouwd.
10. Gelet op wat hiervoor is overwogen bestaat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op dit moment twijfel over het antwoord op de vraag of de belangen die pleiten vóór het kappen van de tweestammige den wel voldoende in kaart zijn gebracht en op de juiste wijze zijn afgewogen tegen het belang bij behoud van deze boom. Daarom betwijfelt de voorzieningenrechter of het bestreden besluit zonder aanvulling van de motivering in beroep wel in stand kan blijven. Gelet op de onomkeerbare gevolgen van het kappen van de tweestammige den, bestaat aanleiding om het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening toe te wijzen.
Lariks
11. In het BAF staat met betrekking tot de lariks dat deze een teruglopende groei heeft en onderstandig is, waarmee wordt bedoeld dat deze onder een andere boomkroon groeit. Uit het BAF en uit het bestreden besluit blijkt echter niet welke gevolgen daaraan moeten worden verbonden. Op de zitting heeft de groenbeheerder toegelicht dat de kroon van de lariks iets aan het insterven is en dat de boom het einde van zijn levenscyclus bereikt heeft, maar naar voorlopig oordeel is onduidelijk hoe dit zich verhoudt tot de inschatting in het BAF dat de lariks een redelijke toekomstverwachting heeft. Blijkens de toelichting op het BAF wordt daarmee een restlevensduur van 5 tot 10 jaar bedoeld.
Uit de stukken blijkt verder dat de lariks op ruime afstand van de tweestammige den staat. In de vergunningaanvraag is toegelicht dat een hovenier zou hebben medegedeeld dat de lariks het vellen van de tweestammige den niet zou overleven, maar de groenbeheerder heeft deze verwachting van de hovenier ter zitting weersproken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moet het er dan ook voor worden gehouden dat het eventuele vellen van de tweestammige den, niet noodzaakt tot het eveneens vellen van de lariks. Dat betekent dat het college ten aanzien van de lariks – net als ten aanzien van de tweestammige den – inzichtelijk dient te maken welke belangen zijn meegewogen en waarom aan die belangen meer gewicht is toegekend dan aan het belang bij behoud van deze boom. Deze belangenafweging ontbreekt in het bestreden besluit. Ook ten aanzien van de lariks moet daarom naar voorlopig oordeel worden betwijfeld of het bestreden besluit zonder aanvulling van de motivering in de bodemprocedure in stand zal blijven.
12. Gelet hierop slaagt het betoog van verzoekster. Wat zij voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

13. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit van 20 januari 2026 wordt geschorst tot de uitspraak op het beroep. Dat betekent dat gedurende deze periode van de verleende omgevingsvergunning geen gebruik mag worden gemaakt. De rechtbank streeft ernaar om het beroep in het derde kwartaal van 2026 op zitting te behandelen.
14. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek toe;
- schorst het bestreden besluit van 20 januari 2026 tot de uitspraak op het beroep;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 200,- aan verzoekster moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.