Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser 1] , verzoekster,
:[v-nummer 1] ,
Rechtbank Den Haag
Verzoekster heeft een herhaalde asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie op 29 september 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan verzoekster een inreisverbod van twee jaar opgelegd. Het eerder opgelegde terugkeerbesluit blijft van kracht.
Verzoekster heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd om de gevolgen van het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek samen met het beroep op zitting behandeld, waarbij verzoekster werd bijgestaan door een tolk en haar gemachtigde, en de minister werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.
De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak op het beroep geoordeeld dat een voorlopige voorziening niet langer nodig is en heeft daarom het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod is afgewezen.