Eiser, een Algerijnse vreemdeling, is op 16 februari 2026 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit. Eiser heeft deze gronden niet betwist.
Eiser voerde aan dat het beginsel van non-refoulement in acht moet worden genomen vanwege een vrees voor zijn leven bij terugkeer naar Algerije. Deze vrees werd echter niet onderbouwd, mede omdat zijn asielaanvraag op 6 oktober 2025 als kennelijk ongegrond was afgewezen en de rechtbank Groningen op 18 januari 2026 oordeelde dat er geen voldoende onderbouwing was voor het risico op problemen bij terugkeer. Het hoger beroep tegen deze afwijzing heeft geen schorsende werking en er is geen voorlopige voorziening toegewezen.
De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring feitelijk juist en voldoende gemotiveerd is en dat er geen nieuwe omstandigheden zijn die het refoulementrisico wijzigen. De maatregel is niet onrechtmatig gebleken. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.