ECLI:NL:RBDHA:2026:4387

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
AWB 24/16391
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende bewijs familieband en economische binding

Eiser, een Marokkaanse staatsburger geboren in 1999, heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor vakantie in Nederland met als doel familiebezoek. De aanvraag werd door de minister van Buitenlandse Zaken afgewezen omdat eiser het doel van het verblijf en zijn voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko onvoldoende had aangetoond. De familieband met de opgegeven referent, een neef, kon niet worden bevestigd en er bestond redelijke twijfel over de economische en sociale binding van eiser met Marokko.

Eiser voerde in beroep aan dat hij voldeed aan de vereisten van de Visumcode, onderbouwde zijn garantstelling, retourticket en vastgoedbezit in Marokko, en dat een belangenafweging had moeten plaatsvinden waarbij zijn belangen zwaarder zouden wegen. De rechtbank oordeelde echter dat verweerder een ruime beoordelingsmarge heeft en dat het besluit slechts terughoudend getoetst kan worden.

De rechtbank stelde vast dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat het doel van het verblijf onvoldoende aannemelijk is vanwege het ontbreken van bewijs van de familieband. Ook is onvoldoende aangetoond dat eiser een substantiële economische binding heeft met Marokko die zijn terugkeer zou garanderen. Een individuele belangenafweging was niet mogelijk omdat de Visumcode dwingende weigeringsgronden bevat.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter A.M. de Wit op 12 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van familieband en economische binding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/16391

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. Y. Bouyazdouzen),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 februari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 augustus 2024 op het bezwaarschrift van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025 op zitting behandeld. Beide partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij heeft een visum kort verblijf aangevraagd voor vakantie in Nederland. Zijn gestelde neef, [referent] , treedt daarbij op als referent.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond en omdat er redelijke twijfel bestaat over zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Eiser heeft de gestelde familierelatie met referent niet aangetoond. Met betrekking tot het voornemen van eiser om tijdig het grondgebied van de lidstaten te verlaten heeft verweerder overwogen dat hij onvoldoende sociale en economische binding heeft met Marokko.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat hij tijdig zal terugkeren naar Marokko. Eiser heeft alle bewijzen overgelegd zoals opgesomd in de Bijlage B.II bij de Visumcode en voldoet daarmee aan de vereisten gesteld in het Europese recht voor verlening van het door hem aangevraagde visum. Daarnaast heeft eiser onderbouwd dat hij een garantsteller heeft, een retourticket heeft naar Marokko, door zijn neef is uitgenodigd om Nederland te bezoeken, en een leven en vastgoed heeft in Marokko om naar terug te keren. Hieruit blijkt dat hij tijdig terug zal keren naar Marokko. Verder had verweerder een belangenafweging moeten maken, waarin de belangen van eiser zwaarder wegen dan de belangen van verweerder. De gevolgen van de afwijzing zijn voor eiser disproportioneel.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Volgens vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie [1] beschikt verweerder over een ruime beoordelingsmarge bij de beoordeling van de relevante feiten om te bepalen of één van de weigeringsgronden uit artikel 32, eerste lid, van de Visumcode van toepassing is. De rechter kan het besluit van verweerder hierover daarom slechts terughoudend toetsen.
5.1.
Uit die rechtspraak volgt ook dat verweerder bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager van een visum om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, een individueel onderzoek van de visumaanvraag moet verrichten waarbij rekening wordt gehouden met, aan de ene kant, de algemene situatie in het land waar de aanvrager woont en, aan de andere kant, zijn persoonlijke omstandigheden. [2] Bij persoonlijke omstandigheden gaat het daarbij met name om zijn gezins-, sociale en economische situatie, het eventuele bestaan van eerdere legale of illegale verblijven in één van de lidstaten en de band met het land waarin hij woont en de lidstaten.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser zijn verblijfsdoel en het voornemen om tijdig terug te keren naar Marokko onvoldoende heeft aangetoond. Verweerder heeft mogen concluderen dat nu de familieband tussen eiser en referent niet is aangetoond, het doel van eisers bezoek onvoldoende aannemelijk is. Eiser heeft dat doel ook in bezwaar of beroep niet nader onderbouwd. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen of slechts een geringe sociale en economische binding met Marokko heeft. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat eiser een jonge man is, ongehuwd is en geen zorg draagt voor kinderen of andere familieleden. Eiser heeft veel stukken overgelegd om de economische binding met Marokko te onderbouwen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat, hoewel uit de overgelegde stukken blijkt dat eiser een onderneming heeft in Marokko, uit deze stukken en bankafschriften onvoldoende duidelijk wordt dat hij hier regelmatig en substantieel inkomen uit ontvangt. Verweerder heeft ook kunnen concluderen dat uit de stukken niet blijkt dat eisers economische activiteiten zijn aanwezigheid in of terugkeer naar Marokko vereisen. Voor een individuele belangenafweging was daarbij geen ruimte omdat de Visumcode dwingend voorschrijft in welke situaties een visumaanvraag wordt geweigerd.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie het arrest Koushkaki. Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862, Koushkaki tegen Duitsland.
2.Arrest Koushkaki, punt 69.