Verzoeker heeft bij besluit van 13 november 2025 een afwijzing van zijn asielaanvraag ontvangen, met een terugkeerbesluit en inreisverbod. Hiertegen is beroep ingesteld bij de rechtbank.
Op 24 februari 2026 vond de zitting plaats waarbij verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om een voorlopige voorziening samen met het beroep.
Op 5 maart 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL25.56273) en het beroep gegrond verklaard. Hierdoor achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer nodig en wees het verzoek af.
Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-, rekening houdend met de samenhang van de zaken en eerdere punten toegekend in de beroepszaak.
De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter A.G.D. Overmars en griffier N. Walstra, en is openbaar gemaakt op 5 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.