ECLI:NL:RBDHA:2026:4395

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
NL25.62764
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 56 VwopArt. 10 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Art. 11 Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroepen tegen plaatsing in HTL en vrijheidsbeperkende maatregel COA

Eiser heeft twee beroepen ingesteld tegen besluiten van het COa en de minister van Asiel en Migratie. Het eerste beroep richt zich tegen het besluit van het COa om eiser per 26 november 2025 in de Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) te plaatsen. Het tweede beroep betreft de vrijheidsbeperkende maatregel die de minister op dezelfde datum oplegde. De rechtbank behandelt beide beroepen en een verzoek om schadevergoeding.

De feiten betreffen een incident op 1 juli 2025 waarbij eiser een medebewoner met een kettingslot heeft geslagen, wat leidde tot verwondingen. Camerabeelden en getuigenverklaringen ondersteunen deze vaststelling. Eiser betoogt dat het incident voortkwam uit frustratie en dat hij geen gevaar meer vormt, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om het besluit aan te tasten.

De rechtbank oordeelt dat het COa terecht heeft besloten tot plaatsing in de HTL vanwege de ernst van het incident en eerdere incidenten zonder gedragsverbetering. Ook de vrijheidsbeperkende maatregel steunt op dit besluit en wordt daarom eveneens gehandhaafd. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er volgt geen proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel worden ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/24336 en NL25.62764

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiser,V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 26 november 2025. In dat besluit heeft het COa besloten om eiser vanaf 26 november 2025 in de HTL [1] in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). [2] Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 26 november 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van Pro de Vw [3] op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.
1.1.
Eiser heeft op 31 december 2025 beroepsgronden ingediend. Het COa heeft op 2 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft de beroepen op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen worden ongegrond verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en er ook geen aanspraak bestaat op een vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit
Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit
3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - samengevat - het volgende. Op 1 juli 2025 is een bewoner naar de receptie van de opvanglocatie komen rennen. Deze bewoner vertelde dat hij is aangevallen door eiser. Beveiliging en COA-medewerkers zijn snel naar de receptie gekomen. Eiser is naar buiten gebracht en de politie is gebeld. Eiser bleef onrustig. Hij is meegenomen naar het politiebureau vanwege fysieke agressie naar medebewoners. Uit camerabeelden is gebleken dat eiser net buiten de slagbomen van de opvanglocatie een bewoner heeft geslagen. Eiser sloeg de bewoner vier keer met een kettingslot, waarvan één keer op het hoofd waarbij de bewoner viel en hij verwondingen aan zijn been opliep. De bewoner stond vervolgens weer op en heeft drie slagen kunnen afweren met zijn handen en armen. Zijn hand heeft een flinke snee opgelopen net zoals zijn rechteronderarm. De bewoner vluchtte naar de receptie, waarna eiser hem achterna is gerend. Tijdens het gesprek tussen eiser en de COa-medewerkers heeft eiser nog een slaande beweging gemaakt richting een COa-medewerker en een duw met geringe kracht richting de andere COa-medewerker gegeven.
Beroepsgronden
4. Eiser stelt dat de HTL-maatregel ten onrechte is opgelegd. De maatregel is opgelegd vanwege een incident op 1 juli 2025. Dat incident kwam voort uit frustratie op dat moment. Uit informatie van het BMA in het kader van een artikel 64-procedure die eiser tijdens zijn bewaringsprocedure is begonnen, blijkt dat aan de zijde van eiser voor zover bekend in de voorgeschiedenis geen sprake is geweest van daadwerkelijke psychotische ontregelingen waarbij eiser een gevaar vormde voor zichzelf of anderen of waarbij een (gedwongen) klinische psychiatrische opname noodzakelijk was. Sinds 1 juli 2025 is veel tijd verstreken en inmiddels is ook door het BMA geconcludeerd dat eiser geen gevaar vormt voor zichzelf of zijn omgeving. Oplegging van deze maatregel is disproportioneel en eiser wordt onevenredig in zijn belangen geschaad. Eiser wenst te verblijven in een reguliere opvang zonder beperkingen.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten tot plaatsing van eiser in de HTL.
5.1.
De rechtbank stelt vast dat het incident op de opvanglocatie heeft plaatsgevonden. De gemachtigde van het COa heeft dit op de zitting met foto’s laten zien. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. Het COa heeft het incident gedetailleerd weergegeven en daarbij gebruik gemaakt van camerabeelden. Dat het incident volgens eiser voortkwam uit frustratie en dat bij hem geen sprake is van psychotische ontregelingen, zijn onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken.
5.2.
Verder is de rechtbank van oordeel dat het incident terecht is gekwalificeerd als een gedraging met zeer grote impact. Eiser heeft fysiek geweld gebruikt tegen een medebewoner door met een kettingslot op hem te slaan. De medebewoner is daardoor gewond geraakt aan zijn hand en armen. Ook heeft eiser een slaande beweging gemaakt richting een COa-medewerker en een duw met geringe kracht richting een andere COa-medewerker. Daarnaast gingen er aan dit incident al meerdere incidenten met een grote, dan wel zeer grote impact vooraf. Eerdere interventies hebben hierbij geen effect gehad op het gedrag van eiser.
5.3.
Ook heeft het COa afgewogen of een lichtere maatregel opgelegd kon worden. Het COa heeft besloten dat een lichtere maatregel niet passend werd geacht vanwege de ernst van het incident en de al eerdere opgelegde maatregelen die niet tot een gedragsverandering hebben geleid. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluiten niet in strijd zijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
5.4.
Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit is ongegrond.
Het beroep gericht tegen de vrijheidsbeperkende maatregel
6. Eiser stelt dat hij volledig meewerkt en alle hulp die hem is geboden accepteert. Het incident, dat als onderbouwing dient van de vrijheidsbeperkende maatregel, is van bijna een half jaar geleden. Daarnaast is er geen zichtbare belangenweging gemaakt en is het opleggen van de maatregel disproportioneel.
6.1.
Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst zij het verzoek tot schadevergoeding af. Verder ziet de rechtbank in het dossier geen concrete aanknopingspunten dat een belangenweging ontbreekt voorafgaand aan het opleggen van de vrijheidsbeperkende maatregel.

Conclusie en gevolgen

7. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt en dat het COa het besluit tot plaatsing in de HTL mocht nemen en ook de minister de vrijheidsbeperkende maatregel mocht nemen. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.J.C. ten Hoopen, griffier, op 5 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Een afschrift is naar partijen verzonden op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Handhaving- en Toezichtlocatie.
2.Op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder h en i, en artikel 11, eerste lid van de Regelingen verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005.
3.Vreemdelingenwet 2000.