Eiser diende op 12 december 2019 een asielaanvraag in vanwege zijn homoseksualiteit en de daaruit voortvloeiende problemen in zijn land van herkomst. De minister wees de aanvraag op 20 oktober 2022 af, waarna de rechtbank Zwolle dit besluit in maart 2024 vernietigde en de minister opdroeg opnieuw te beslissen.
Bij het bestreden besluit van 25 april 2025 wees de minister de aanvraag opnieuw af, waarbij de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid werd betwijfeld. De rechtbank oordeelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid, met name doordat de minister ter zitting afstand deed van eerdere overwegingen over kennis van LHBT-organisaties, wat strijdig is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
De rechtbank stelt vast dat eiser onvoldoende persoonlijke en concrete verklaringen heeft gegeven over zijn seksuele gerichtheid en innerlijke ontwikkeling, en dat de minister terecht twijfels had over de geloofwaardigheid. Ondanks het geconstateerde zorgvuldigheidsgebrek laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand, omdat de geloofwaardigheid onvoldoende is aangetoond.
Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de afwijzing blijft rechtsgeldig. Eiser krijgt een proceskostenvergoeding van €1.868 toegewezen.