ECLI:NL:RBDHA:2026:4430

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/09/696471 / FA RK 25-9658
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervangende toestemming vakantie en verhuizing minderjarige binnen woonplaats

De moeder verzocht de rechtbank om vervangende toestemming te verlenen voor een vakantie met de minderjarige naar een veilig land in de voorjaarsvakantie 2026 en voor een verhuizing binnen de huidige woonplaats. De vader oefent samen met de moeder het gezag uit, maar reageerde niet op verzoeken om toestemming.

De rechtbank nam kennis van het verzoekschrift, het F9-formulier en de uitlating van de minderjarige in raadkamer. Tijdens de zitting was de moeder met haar advocaat aanwezig; de vader verscheen na sluiting van de zitting, waardoor zijn inbreng niet is meegenomen.

De rechtbank oordeelde dat geen belangen van het kind zich verzetten tegen de vakantie of verhuizing. De zorgregeling was geschorst, en de verhuizing betreft een nieuwbouwwoning binnen dezelfde woonplaats, waarbij de school van het kind ongewijzigd blijft.

De vader werd veroordeeld in de proceskosten omdat hij niet tijdig bezwaren kenbaar maakte, ondanks herhaalde verzoeken van de moeder en haar advocaat. De kosten werden begroot op €852,-. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank verleent de moeder vervangende toestemming voor vakantie en verhuizing en veroordeelt de vader in de proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-9658
Zaaknummer: C/09/696471
Datum beschikking: 3 februari 2026

Gezagsuitoefening

Beschikking op het op 18 december 2025 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F.G.T. Meershoek te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend aders.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 22 januari 2026 van de zijde van de moeder, met een gewijzigd verzoekschrift.
De minderjarige [de minderjarige] heeft zich op 26 januari 2026 in raadkamer uitgelaten over het verzoek.
Op 27 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder en haar advocaat.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, na wijziging:
  • aan de moeder vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om met [de minderjarige] in de periode van 12 februari 2026 tot en met 19 februari 2026 af te reizen naar [land 1] , althans ter zak een beslissing te nemen zoals de rechtbank in goede justitie juist acht;
  • aan de moeder vervangende toestemming te verlenen – die de toestemming van de vader vervangt – om met [de minderjarige] in de gemeente [plaats 1] te verhuizen en hem op het nieuwe adres in te schrijven;
  • de vader te veroordelen in de proceskosten van de moeder
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het volgende kind:
- -
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] .
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- [de minderjarige] woont bij de moeder.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 14 februari 2020 zijn de ouders gezamenlijk
met het gezag over [de minderjarige] belast en is — voor zover hier relevant — een zorgregeling
bepaald, waarbij [de minderjarige] bij de vader zal zijn eenmaal per twee weken van zaterdag 10.00 uur tot maandag naar school en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen, in onderling overleg jaarlijks in september te bepalen.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2024 is — met wijziging van de
beschikking van 14 februari 2020 — en voor zover hier van belang een zorgregeling
vastgesteld waarbij [de minderjarige] bij de vader zal zijn om het weekend van vrijdagmiddag uit
school tot maandagochtend naar school; tevens is een uitgebreide vakantie-en
feestdagenregeling bepaald.
- Bij beschikking van 12 juni 2025 heeft deze rechtbank aan de moeder vervangende
toestemming verleend, welke de toestemming van de vader vervangt, om met [de minderjarige] in de periode van vrijdag 20 juni 2025 tot en met zondag 22 juni 2025 op vakantie te gaan naar [land 2] en in de periode van zaterdag 26 juli 2025 tot en met vrijdag
8 augustus 2025 naar [land 3] .
- Bij beschikking van 12 november 2025 heeft deze rechtbank aan de moeder
vervangende toestemming verleend, welke de toestemming van de vader vervangt, om
met [de minderjarige] van 19 december 2025 tot en met 22 december 2025 afte reizen naar [plaats 2]
( [land 4] ) en om een reisdocument voor [de minderjarige] aan te vragen, tevens is de vader
veroordeelt in de proceskosten.
- Bij beschikking van deze rechtbank van 15 december 2025 is bepaald dat er voorlopig geen zorgregeling zal zijn tussen de vader en [de minderjarige] . Daarnaast is de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en is ieder verdere beslissing ten aanzien van het gezag en de wijziging van de zorgregeling aangehouden.

Beoordeling

Vooraf
De mondelinge behandeling van deze zaak heeft plaatsgevonden op 27 januari 2026 om 12.00 uur. De verzoeken zijn in aanwezigheid van de moeder en haar advocaat besproken, waarna de zitting is gesloten. Om 12.10 uur, nadat de zitting reeds was gesloten, is de vader alsnog verschenen. Van hetgeen de vader naar voren heeft gebracht is geen proces-verbaal opgesteld omdat de zitting op dat moment al gesloten was. Ook is wat de vader naar voren heeft gebracht om diezelfde reden niet meegenomen in de beslissingen die hierna genomen worden.
Vervangende toestemming vakantie en verhuizing
Wettelijk kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder wil met [de minderjarige] in de voorjaarsvakantie op vakantie naar [land 1] . Zij heeft de vader rechtstreeks verzocht om toestemming te verlenen voor de vakantie, de vader heeft hierop niet gereageerd. Ook op de brief van de advocaat van de moeder is geen reactie gekomen. De moeder en [de minderjarige] zullen verblijven in het [hotel] te [plaats 3] . Alle benodigde reisgegevens zijn door de moeder ingevuld in het formulier dat zij naar de vader heeft gestuurd. [land 1] is een veilig land en de vakantie heeft geen invloed om het contact tussen de vader en [de minderjarige] , de zorgregeling is immers geschorst door de rechtbank. Daarnaast heeft de moeder een nieuwbouwwoning toegewezen gekregen in haar huidige woonplaats. Ook op het verzoek om toestemming te geven voor de verhuizing heeft de vader niet gereageerd. De adresgegevens van de woning en de verhuisdatum zijn nog niet bekend, naar verwachting zal het in het tweede kwartaal van 2026 zijn. Als er meer bekend is, zal de moeder dat communiceren naar de vader. Het is in ieder geval duidelijk dat de verhuizing binnen de huidige woonplaats van de moeder en [de minderjarige] zal zijn en dat [de minderjarige] naar dezelfde school zal kunnen blijven gaan.
De rechtbank oordeelt als volgt. De vader heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de moeder en niet is gebleken dat het belang van [de minderjarige] zich verzet tegen een vakantie in [land 1] dan wel een verhuizing binnen zijn huidige woonplaats. Gelet hierop zal de rechtbank de verzoeken van de moeder tot vervangende toestemming voor de vakantie en de verhuizing toewijzen.
Proceskosten
De rechtbank stelt voorop dat in procedures van familierechtelijke aard de proceskosten doorgaans gecompenseerd worden, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hier wordt slechts van afgeweken als sprake is van bijzondere omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden, dat een proceskostenveroordeling op zijn plaats is. De moeder heeft binnen korte tijd meerdere procedures moeten beginnen om toestemming van de vader te verkrijgen. Uit de overgelegde stukken is ook gebleken dat de moeder de vader op 1 december 2025 zelf heeft aangeschreven met het verzoek om toestemming te verlenen voor de vakantie. Na het uitblijven van een reactie is op 8 december 2025 een brief gestuurd door de advocaat. Het had op de weg van de vader gelegen om tijdig eventuele bezwaren tegen de vakantie dan wel de verhuizing kenbaar te maken dan wel om aanvullende informatie te vragen. Nu de vader dat niet heeft gedaan en niet is gebleken van omstandigheden die rechtvaardigen dat de vader geen gehoor heeft gegeven aan de verzoeken van de moeder en haar advocaat, is de rechtbank van oordeel dat een proceskostenveroordeling redelijk is.
De rechtbank is uit de stukken gebleken dat de proceskosten van de moeder bestaan uit het griffierecht van € 90,- en de eigen bijdrage aan haar advocaat van € 762,-. De rechtbank begroot de door de vader aan de moeder te betalen proceskosten met betrekking tot deze procedure daarom op € 852,-. De rechtbank zal bepalen dat de vader deze kosten aan de moeder moet voldoen.

Beslissing

De rechtbank:
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats] , vanuit Nederland af te reizen naar [land 1] , van 12 februari 2026 tot en met 19 februari 2026;
verleent toestemming aan de moeder – welke toestemming die van de vader vervangt – om met [de minderjarige] in de gemeente [plaats 1] te verhuizen en hem op het nieuwe adres in te schrijven;
veroordeelt de vader in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van de moeder vastgesteld op € 90,- aan griffierecht en € 762,- aan eigen bijdrage;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026.