Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4437

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
C/09/677711 / FA RK 24-9182
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:100 BWArt. 1:157 BWArt. 1:94 lid 2 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap bij echtscheiding

Partijen zijn gehuwd in 2010 in gemeenschap van goederen en zijn sinds 2017 gescheiden gaan wonen. De man verzoekt partneralimentatie en een verdeling van de huwelijksgemeenschap, waaronder woningen, bankrekeningen, auto's en een correctie op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.

De rechtbank oordeelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en wijst het verzoek tot partneralimentatie af omdat de man onvoldoende behoeftigheid heeft aangetoond en partijen al lang gescheiden leven zonder gezamenlijke huishouding. De rechtbank stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast volgens de wettelijke regels, waarbij de woningen worden toegedeeld aan elk een partij met verrekening van de overwaarde, bankrekeningen worden verdeeld, de Citroën aan de vrouw wordt toegekend met verrekening aan de man, en de correctie op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt verdeeld.

De rechtbank verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad, draagt iedere partij de eigen proceskosten en wijst het meer of anders verzochte af. De uitspraak is gedaan op 3 februari 2026 door rechter C. de Jong-Kwestro.

Uitkomst: Verzoek partneralimentatie afgewezen en huwelijksgemeenschap verdeeld met toedeling van woningen, bankrekeningen, auto's en correctie arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9182 (echtscheiding)
FA RK 25-4090 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/677711 (echtscheiding)
C/09/686152 (verdeling)
Datum beschikking: 3 februari 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de man],

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.A. van den Heuvel te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw],

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.D. Bakker te ‘s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 10 januari 2025 van de zijde van de man, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 17 maart 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift op zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 21 mei 2025;
  • het F9-formulier van 16 juni 2025 van de zijde van de vrouw, met een vermeerdering van het zelfstandig verzoek;
  • het F9-formulier van 31 juli 2025 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 26 december 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 30 december 2025 van de zijde van de man, met bijlagen.
Op 6 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de man met zijn advocaat en mr. J.J. Sloot;
  • de vrouw met haar advocaat.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2010 te [plaats].
  • Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt, na wijziging, echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van door de vrouw aan de man te betalen partneralimentatie van
€ 1.257,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag dat de beschikking van de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
- vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als volgt:
- te bepalen dat de woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) te [plaats] aan de man wordt toebedeeld tegen de WOZ-waarde zoals vastgesteld per 1 januari 2025 onder de opschortende voorwaarde van ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening(en) en met verdeling van de overwaarde bij helfte, waarbij de overwaarde bestaat uit de WOZ-waarde vermeerderd met de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering en verminderd met de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht van de woning;
- te bepalen dat de woning aan de [adres 2] ([postcode 2]) te [plaats] aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de WOZ-waarde zoals vastgesteld per 1 januari 2025 onder de opschortende voorwaarde van ontslag van de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met verdeling van de overwaarde bij helfte, waarbij de overwaarde bestaat uit de WOZ-waarde verminderd met de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht van de woning;
- te bepalen dat alle in de woning aan de [adres 1] bevindende roerende zaken aan de man worden toebedeeld zonder nadere verrekening van de waarde, alsmede dat alle in de woning aan de [adres 2] bevindende roerende zaken aan de vrouw worden toebedeeld zonder nadere verrekening van de waarde;
- te bepalen dat de Citroen, type C3, met kentekennummer [kenteken 1], aan de vrouw wordt toebedeeld met verrekening van de helft van de waarde daarvan aan de man , welke helft gelijk staat aan een bedrag van € 6.625,-;
- te bepalen dat de ‘erven van’ betaalrekening met bankrekeningnummer [rekeningnummer 1] met de daaraan gekoppelde spaarrekening met bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van de man buiten de gemeenschap valt;
- te bepalen dat de personenauto Skoda Yeti, met kentekennummer [kenteken 2], buiten de gemeenschap valt;
- te bepalen dat de correctie ad € 21.864,95 (bruto) buiten de gemeenschap valt;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien verzoekt de vrouw na wijziging, zelfstandig om de echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
  • bepaling dat de man inzage dient te verschaffen in en documentatie dient over te leggen met betrekking tot de hoogte van het bedrag dat hij van het UWV heeft ontvangen als correctie op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering naar aanleiding van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep die in het lichaam van het verweerschrift is genoemd;
  • vaststelling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als volgt: te bepalen dat de saldi op de peildatum van de bankrekeningen [rekeningnummer 3] en [rekeningnummer 4] bij helfte zullen worden verdeeld;
  • te bepalen dat elke partij de eigen (proces)kosten zal dragen;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor het overige – nu nog verweer tegen het verzochte met betrekking tot de compensatievergoeding, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw betwist dit niet, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Partneralimentatie
De man verzoekt een partneralimentatie van € 1.257,- bruto per maand. Ter onderbouwing van dit verzoek heeft hij aangevoerd dat het niet lukt om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. De man is arbeidsongeschikt en leeft van een uitkering, die ontoereikend is voor alle kosten die hij maakt. Afgelopen jaren is het de man gelukt om rond te komen, doordat hij geld kon lenen van zijn moeder en doordat hij een correctie van zijn WIA-uitkering ontving. Dit geld is nu op en kan door de man dus niet meer aangewend worden om bij te dragen in zijn dagelijkse kosten. De man heeft daarom behoefte aan een bijdrage van de vrouw.
De vrouw voert verweer tegen het verzoek. Partijen zijn al sinds 2017 uit elkaar en sindsdien is het de man altijd zelf gelukt om rond te komen. De vrouw betwist dat de man daadwerkelijk partneralimentatie nodig heeft en stelt dat de man geacht moet worden zelf in zijn levensonderhoud te voorzien. Volgens de vrouw is er geen sprake meer van lotsverbondenheid die rechtvaardigt dat zij nu na al deze jaren ineens partneralimentatie moet gaan betalen.
De rechtbank stelt voorop dat na echtscheiding het uitgangspunt is dat ieder van de echtgenoten in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is het volgende gebleken. Partijen hebben zeven jaar samen gewoond gedurende hun huwelijk. Inmiddels is er al negen jaar geen sprake meer van een gezamenlijke huishouding. Hoewel er in de afgelopen jaren nog wel contact is geweest tussen partijen, is niet betwist dat partijen in 2017 uit elkaar zijn gegaan en sindsdien niet meer samen woonden en geen gemeenschappelijke huishouding meer voerden. De man heeft de afgelopen negen jaar geen verzoek tot partneralimentatie ingediend en hij heeft ook geen voorlopige voorziening van die strekking aangevraagd. De rechtbank leidt hieruit af dat het de man de afgelopen negen jaar gelukt is om zelf in zijn levensonderhoud te voorzien, zonder bijdrage van de vrouw.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de man zijn behoeftigheid onvoldoende heeft onderbouwd. Hij heeft op de zitting aangegeven in te moeten teren op zijn vermogen, maar hij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoeveel vermogen hij nog heeft. Daarbij krijgt hij ook een aanzienlijk bedrag door de afwikkeling van de echtscheiding.
De rechtbank overweegt tot slot dat als een van partijen direct na het beëindigen van de samenwoning de echtscheiding had aangevraagd, de duur van de partneralimentatie beperkt zou zijn tot 3.5 jaar, op grond van artikel 1:157 BW Pro. Deze 3.5 jaar is al geruime tijd voorbij. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij de echtscheiding niet heeft aangevraagd om de man te ontzien, omdat hij met depressieve klachten kampte. Vervolgens wordt de vrouw nu, negen jaar na beëindiging van de samenwoning, geconfronteerd met het verzoek om partneralimentatie, terwijl partijen inmiddels langer niet meer samen zijn dan dat zij samen zijn geweest.
Bij deze stand van zaken is de rechtbank van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om van de vrouw nu nog een bijdrage in het levensonderhoud van de man te verlangen. Het verzoek van de man wordt daarom afgewezen.
Verdeling
Algehele gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2010 waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 20 december 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
Door de man en de vrouw zijn de volgende bestanddelen naar voren gebracht die mogelijk in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap vallen:
woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) te [plaats] met hypothecaire geldlening;
woning aan de [adres 2] ([postcode 2]) te [plaats] met hypothecaire geldlening;
de op de bankrekeningen op naam van de man respectievelijk de vrouw staande saldi;
een personenauto Citroen, type C3, kentekennummer [kenteken 1];
inboedel van de koopwoningen;
ervenrekening;
personenauto Skoda;
correctie arbeidsongeschiktheid.
Ad a. en b. woningen aan de [adres 1] en de [adres 2]
Partijen zijn het erover eens dat de woning aan de [adres 1] kan worden toebedeeld aan de man, dat de woning aan de [adres 2] kan worden toebedeeld aan de vrouw, en dat de overwaarde van beide woningen bij helfte gedeeld moet worden. Partijen zijn het er niet over eens hoe die overwaarde wordt bepaald.
Ten aanzien van de woning aan de [adres 1] is door de man verzocht te bepalen dat de overwaarde bestaat uit de WOZ-waarde, te vermeerderen met de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering en te verminderen met de waarde van de hypothecaire geldlening.
Ten aanzien van de woning aan de [adres 2] is door de man verzocht te bepalen dat de overwaarde bestaat uit de WOZ-waarde, te verminderen met de waarde van de hypothecaire geldlening. Op de zitting is dit verzoek vermeerderd, in die zin dat de overwaarde van de woning aan de [adres 2] ook bestaat uit de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering. De vrouw maakt hiertegen bezwaar, omdat het niet in het verzoek staat en zij zich er nu niet goed op voor heeft kunnen bereiden.
De rechtbank is van oordeel dat de vermeerdering van het verzoek in strijd is met de goede procesorde, omdat zowel in het lichaam van het verzoekschrift als in het petitum de kapitaalverzekering niet genoemd is in relatie tot de woning aan de [adres 2]. Nergens blijkt dus uit dat hiermee ook bij deze woning rekening gehouden moet worden. Daarbij is door de vrouw gemotiveerd aangevoerd dat zij andere keuzes had gemaakt in haar verweer en/of haar zelfstandige verzoeken als de kapitaalverzekering bij de woning aan de [adres 2] was betrokken.
Dit betekent dat de rechtbank voor de overwaarde van de woning aan de [adres 2] zal aansluiten bij de WOZ-waarde, verminderd met de hypothecaire geldlening. Voor de woning aan de [adres 1] zal de rechtbank aansluiten bij het door de man verzochte, te weten de WOZ-waarde te vermeerderen met de waarde van de kapitaalverzekering en te verminderen met de waarde van de hypothecaire geldlening. De rechtbank gaat daarbij voorbij aan het verzoek van de man om de kapitaalverzekering ook bij deze woning niet mee te nemen in de overwaarde als de rechtbank kiest om de overwaarde achterwege te laten bij de [adres 2]. De man heeft dit verzoek onderbouwd door aan te voeren dat in het petitum de kapitaalverzekering niet genoemd staat bij de [adres 1], terwijl dit wel het geval is.
De rechtbank zal het voorgaande opnemen in de beslissing.
Ad c. bankrekeningen
Partijen zijn het eens dat de bankrekeningen van de man worden toegedeeld aan de man en de bankrekeningen van de vrouw worden toegedeeld aan de vrouw, onder verdeling van het saldo bij helfte op de peildatum. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Ad d. personenauto Citroën
Partijen zijn het erover eens dat de Citroën aan de vrouw kan worden toebedeeld voor een waarde van € 12.550,-. De vrouw moet de helft van de waarde, te weten € 6.275,- aan de man voldoen. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Ad e. inboedel
Partijen zijn het eens over de inboedel. De rechtbank zal overeenkomstig beslissen.
Ad f. ervenrekening
De man heeft een erfenis ontvangen uit de nalatenschap van zijn moeder. Zij heeft een uitsluitingsclausule opgenomen. De ervenrekening bij de ING valt daarom buiten de huwelijksgemeenschap. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de ervenrekening bij de ING buiten de gemeenschap valt. Zij hoeft hierover dus niets anders meer te beslissen.
Ad. g. personenauto Skoda
De man stelt dat de auto buiten de gemeenschap valt, omdat de koopprijs (€ 7.100,-) voldaan is met gelden van de ervenrekening. De vrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De rechtbank oordeelt dat de Skoda buiten de gemeenschap valt. Zij hoeft hierover dus niets anders meer te beslissen.
Ad h. correctie arbeidsongeschiktheid
De man ontvangt sinds 2019 een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Die uitkering is recent toegenomen, waardoor de man aanspraak maakt op een bedrag aan correctie. Deze correctie valt volgens de vrouw in de gemeenschap en moet verdeeld worden. De vrouw heeft daarom een vordering wegens overbedeling van € 17.613,50, althans een bedrag gelijk aan de helft van de door de man ontvangen compensatie.
De man betwist allereerst de hoogte van de ontvangen correctie. Hij heeft in werkelijkheid een bedrag van € 21.864,95 bruto ontvangen op 21 augustus 2024. Daarnaast betwist de man dat dit bedrag in de gemeenschap valt. Volgens hem is het bedrag namelijk bijzonder verknocht op grond van artikel 1:94 lid 2 BW Pro. De man hoeft de vrouw niet te onderhouden met zijn uitkering en ook niet met de correctie daarop. Tot slot vindt de man dat het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen omdat zij jaren lang heeft nagelaten hem financieel te ondersteunen, terwijl echtgenoten daartoe wel verplicht zijn. Het ontvangen bedrag is daarom al aangewend voor zijn eigen levensonderhoud.
De rechtbank overweegt dat een correctie op de arbeidsongeschiktheidsuitkering gezien kan worden als een arbeidsongeschiktheidsuitkering. De man heeft het bedrag immers ontvangen omdat hij eerder niet het bedrag aan uitkering kreeg dat hij had moeten krijgen. Een arbeidsongeschiktheidsuitkering valt in de gemeenschap en daarmee de correctie hierop ook. Dit betekent dat wat er nog over is van de correctie arbeidsongeschiktheid per peildatum verdeeld moet worden bij helfte.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt uit de echtscheiding tussen partijen, gehuwd op [datum] 2010 te [plaats];
*
wijst af het verzoek van de man tot vaststelling van partneralimentatie;
*
stelt de (wijze van) verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. de woning aan de [adres 1] ([postcode 1]) te [plaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening wordt toebedeeld aan de man, onder verrekening van de helft van de overwaarde met de vrouw, waarbij de overwaarde bestaat uit de WOZ-waarde, te vermeerderen met de opgebouwde waarde van de kapitaalverzekering en te verminderen met de waarde van de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht van de woning;
2. de woning aan de [adres 2] ([postcode 2]) te [plaats] en de daaraan verbonden hypothecaire geldlening wordt toebedeeld aan de vrouw, onder verrekening van de helft van de overwaarde met de man, waarbij de overwaarde bestaat uit de WOZ-waarde, te verminderen met de waarde van de hypothecaire geldlening ten tijde van de overdracht van de woning;
3. de bankrekeningen van de man zullen worden toegedeeld aan de man, de bankrekeningen van de vrouw zullen worden toegedeeld aan de vrouw, waarbij de saldi op die rekeningen per peildatum bij helfte moeten worden verdeeld;
4. de auto van het merk Citroën wordt toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 12.550,-, onder de verplichting de helft van de waarde – te weten
€ 6.275,- – aan de man te voldoen;
5. de inboedel van de woning aan de [adres 1] wordt toebedeeld aan de man, de inboedel van de woning aan de [adres 2] wordt toebedeeld aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
6. de waarde van de correctie arbeidsongeschiktheid moet per peildatum bij helfte tussen partijen te worden verdeeld;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. de Jong-Kwestro, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 3 februari 2026.