Uitspraak
Rechtbank Den Haag
1.De procedure
2.De feiten in conventie en in reconventie
3.Het geschil
4.De beoordeling van het geschil
Nog daargelaten dat de rechtbank in de bestreden beschikkingen niets heeft overwogen of beslist ten aanzien van het autorijden van de moeder met de minderjarige, ziet het hof mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er zorgen bestaan over de rijvaardigheid van de moeder. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om hieromtrent een beslissing te nemen. Het hof zal daarom het verzoek van de moeder en de vader omtrent het autogebruik van de moeder met de minderjarige afwijzen.’
In de stukken en op grond van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de moeder niet in staat zou zijn om de minderjarige een adequate verzorging en opvoeding te bieden, dan wel dat de minderjarige bij de moeder onveilig zou zijn. Uit het dossier blijken geen concrete aanwijzingen die daadwerkelijk reden geven tot zorg en/of wantrouwen omtrent de opvoedingsomgeving van de moeder. De zorgen die de vader heeft omtrent het door hem gestelde drugs- en alcoholgebruik van de moeder, dat door de moeder wordt betwist, worden niet, althans onvoldoende onderbouwd met stukken en worden niet waargenomen door derden. Het hof heeft dan ook geen indicatie dat het gestelde drugsgebruik van de moeder van invloed is op de uitvoering van de zorgregeling en dus op de minderjarige. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de door de vader verzochte voorwaarden te verbinden aan de uitvoering van de zorgregeling noch om de door de rechtbank vastgestelde (opbouw van de) zorgregeling te doorkruisen of een andere, door de vader verzochte zorgregeling op te leggen, zonder overnachting.’