ECLI:NL:RBDHA:2026:4518
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning proceskostenvergoeding wegens vertraagde beslissing verblijfsvergunning
Verzoeker diende beroep in tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning. Op 5 januari 2026 nam de minister alsnog een besluit, waarna verzoeker het beroep introk en proceskostenvergoeding vorderde.
De rechtbank oordeelde dat de minister tegemoet was gekomen aan het beroep door alsnog te beslissen. Op grond van de Algemene wet bestuursrecht en het Besluit Proceskosten bestuursrecht werd het verzoek tot proceskostenvergoeding als kennelijk gegrond toegewezen.
De rechtbank hanteerde een wegingsfactor van 0,5 vanwege het lichte gewicht van de zaak en kende een vergoeding toe van €467,-, inclusief het betaalde griffierecht. Er werden geen overige kosten vergoed.
De uitspraak werd gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya op 4 maart 2026 in Utrecht.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van €467,- aan proceskosten wegens vertraagde besluitvorming.