ECLI:NL:RBDHA:2026:4531

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.59349
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens gebrek aan gegronde vrees voor vervolging

Eiser heeft op 18 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag op 27 november 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser stelde dat zijn vader vanaf oktober 2023 telefonische doodsbedreigingen ontving van de regering, gericht op het gezin, en vreest daardoor voor zijn leven en dat van zijn gezin.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 behandeld, waarbij eiser, zijn ouders, en de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren. De rechtbank overweegt dat het relaas van eiser afhankelijk is van dat van zijn vader, en dat de minister de geloofwaardigheid van de doodsbedreigingen aan de vader niet heeft kunnen aannemen.

Daarom oordeelt de rechtbank dat ook eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier D.G. van den Berg en openbaar gemaakt op 6 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard wegens gebrek aan gegronde vrees voor vervolging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.59349

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),
en

de minister van Asiel en Migratie, de ministr,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven
.Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026, gezamenlijk met de zaken NL25.59347 en NL25.59348, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn vader en moeder, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat zijn vader vanaf oktober 2023 telefonische doodsbedreigingen heeft ontvangen van de regering. Deze bedreigingen zagen op het gezin van eiser. Eiser vreest voor zijn leven en dat van zijn gezin.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn.
4.1.
Eiser heeft ook verklaard dat zijn vader telefonische doodsbedreigingen ontving van de regering die zagen op zijn gezin. Eiser heeft echter verklaard zelf nooit telefonische of fysieke bedreigingen te hebben gehad. Omdat de doodsbedreigingen toezien op eisers vader, wordt eisers relaas beschouwd als zijnde afhankelijk van het relaas van zijn vader. De telefonische bedreigingen van de overheid worden dan ook beoordeeld in de aanvraag van eisers vader.
Heeft eiser gegronde vrees voor vervolging of loopt hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade?
5. De rechtbank overweegt dat zij bij uitspraak van vandaag, zaaknummer NL25.59347, heeft geoordeeld dat de minister de telefonische doodsbedreiging vanuit de regering niet geloofwaardig heeft kunnen achten. Omdat het relaas van eiser afhankelijk is van dat van zijn vader, overweegt de rechtbank dat ook eiser op grond van de gestelde gebeurtenissen, geen gegronde vrees voor vervolging heeft.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.