Eiser heeft op 18 december 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag op 27 november 2025 afgewezen als ongegrond. Eiser stelde dat zijn vader vanaf oktober 2023 telefonische doodsbedreigingen ontving van de regering, gericht op het gezin, en vreest daardoor voor zijn leven en dat van zijn gezin.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 behandeld, waarbij eiser, zijn ouders, en de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren. De rechtbank overweegt dat het relaas van eiser afhankelijk is van dat van zijn vader, en dat de minister de geloofwaardigheid van de doodsbedreigingen aan de vader niet heeft kunnen aannemen.
Daarom oordeelt de rechtbank dat ook eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A. Sibma en griffier D.G. van den Berg en openbaar gemaakt op 6 maart 2026.