ECLI:NL:RBDHA:2026:4546

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.46442
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsprocedure

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter uitspraak gedaan over een verzoek om voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag door de minister van Asiel en Migratie.

De minister had op 3 november 2025 een beslissing genomen op het bezwaarschrift van verzoeker. Verzoeker heeft echter geen beroep ingesteld tegen deze beslissing op bezwaar. Volgens artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een verzoek om voorlopige voorziening alleen worden gedaan als er een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar loopt.

Omdat in deze zaak geen beroep is ingesteld, is het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek daarom niet inhoudelijk en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter C.H. de Groot en griffier M.S.G. van der Werf, en is openbaar gemaakt op 6 maart 2026. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een beroepsprocedure tegen het besluit op bezwaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46442

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam verzoeker] , verzoeker,

geboren [geboortedatum verzoeker] ,
van [nationaliteit verzoeker] ,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.S. Sewman),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoeker.
1.1.
Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is.
1.2.
De minister heeft op 3 november 2025 beslist op het bezwaarschrift.
1.3.
Verzoeker heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op het bezwaarschrift.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het verzoek om voorlopige voorziening gaat over het primaire besluit en het besluit op het bezwaar tegen dat besluit. Tegen dat laatste besluit loopt geen beroepsprocedure. Alleen als dat wel het geval is, kan iemand een verzoek om voorlopige voorziening doen.

Conclusie en gevolgen

3. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, rechter, in aanwezigheid van
M.S.G. van der Werf, griffier en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.