ECLI:NL:RBDHA:2026:4549

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.26307 en NL25.26308
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 8 EVRMArt. 45b, tweede lid, aanhef en onder g, Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2003/109/EGArt. 3.96a, vierde lid, Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wegens onvoldoende onderzoek inburgeringsinspanningen

Eiseres, een Marokkaanse vrouw die sinds 2019 in Nederland verblijft als verzorgende ouder van haar Nederlandse kinderen, vroeg een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen aan. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat zij niet voldeed aan het inburgeringsvereiste. Eiseres had het inburgeringsexamen niet volledig gehaald, maar had veertien pogingen gedaan en slechts één onderdeel niet behaald. Tijdens het beroep behaalde zij ook het laatste onderdeel.

De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de aard en frequentie van de inspanningen van eiseres om het examen te halen. Verweerder had ook nagelaten eiseres te horen tijdens de bezwaarprocedure, wat een schending van de hoorplicht opleverde. De rechtbank stelde dat verweerder niet aannemelijk had gemaakt dat eiseres niet in aanmerking kwam voor een vrijstelling van het inburgeringsvereiste op grond van bijzondere omstandigheden.

Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij een volledige heroverweging van het primaire besluit moet plaatsvinden. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eiseres.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot afwijzing van de EU-verblijfsvergunning langdurig ingezetene wordt vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar inburgeringsinspanningen en schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.26307 en NL25.26308
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] ,v-nummer: [v-nummer] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. H. Uzumcu),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. X.R. Schuitemaker).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 23 januari 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 15 mei 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, J. Lakjaa als tolk en de gemachtigde van verweerder.
1.3.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek heropend en eiseres verzocht aanvullende bewijsstukken met betrekking tot haar inburgeringsexamen over te leggen. Eiseres heeft deze stukken overgelegd. Verweerder heeft daar schriftelijk op gereageerd.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1972 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft van oktober 2019 tot en met maart 2025 een verblijfsdocument gehad op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw). Zij verbleef daarmee in Nederland als verzorgende ouder van haar (destijds minderjarige) Nederlandse kinderen. [1] Op 7 november 2024 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.
3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat niet is voldaan aan het inburgeringsvereiste. Eiseres heeft het inburgeringsexamen niet gehaald en heeft niet onderbouwd dat zij daartoe vrijgesteld moet worden. Ook is niet gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor eiseres het examen niet kan halen. Dat eiseres als alleenstaande moeder voor haar kinderen zorgt en alle vaste lasten draagt, is onvoldoende om te concluderen dat het van bijzondere hardheid getuigt om van haar te verlangen dat zij het inburgeringsexamen haalt. Het handhaven van het inburgeringsvereiste bij eiseres levert verder geen schending op van het verbod op discriminatie op grond van artikel 14 van Pro het EVRM. [2] Ten slotte kan eiseres het gestelde gezinsleven met haar dochter onder artikel 8 van Pro het EVRM en de inbreuk daarop laten toetsen in de beoordeling van de door haar aangevraagde vergunning voor een afgeleid verblijfsrecht voor verblijf bij haar Nederlandse dochter.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat ten onrechte is tegengeworpen dat zij niet voldoet aan het inburgeringsvereiste. Het behalen van het inburgeringsexamen is een zware belasting voor eiseres, omdat zij als alleenstaande ouder voor haar kinderen zorgt en alle vaste lasten draagt. Eiseres heeft al veertien pogingen gedaan om alle onderdelen van het inburgeringsexamen te halen, en dat was ten tijde van de besluitvorming slechts voor één onderdeel nog niet gelukt. Hangende het beroep heeft eiseres ook het laatste examen en daarmee haar inburgeringsdiploma behaald. Verweerder handelt in strijd met het unierechtelijke evenredigheidsbeginsel door het inburgeringsvereiste tegen te werpen. [3] Daarnaast is het tegenwerpen van het inburgeringsvereiste in strijd met het discriminatieverbod in artikel 14 van Pro het EVRM. Verder heeft verweerder ten onrechte niet getoetst aan het familieleven tussen eiseres en haar dochter. Ten slotte is eiseres ten onrechte niet gehoord tijdens de bezwaarprocedure.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder een aanvraag tot het verlenen van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen kan afwijzen indien niet is voldaan aan het inburgeringsvereiste. [4] Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU over de Langdurig ingezetenen-richtlijn [5] volgt dat er integratievoorwaarden mogen worden gesteld en er mag worden verlangd dat een inburgeringsexamen met goed gevolg wordt afgelegd. [6] Het Hof benadrukt dat de uitvoering van het inburgeringsvereiste geschikt moet zijn om de daarmee nagestreefde doelen te verwezenlijken, namelijk bewijzen dat een derdelander kennis en taal van de samenleving heeft opgedaan, en niet verder mag gaan dan noodzakelijk is voor het bereiken van die doelen. In dat kader mag niet worden belet dat een verblijfstitel wordt verleend aan derdelanders die het bewijs hebben geleverd van hun wil om het inburgeringsexamen te behalen en van de inspanningen die zij daarvoor hebben gedaan, moeten de bijzondere individuele omstandigheden in aanmerking worden genomen en mogen de kosten voor het inburgeringsexamen niet buitensporig zijn.
5.1.
Verweerder ontheft de vreemdeling van het inburgeringsvereiste als sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard wanneer de vreemdeling het inburgeringsexamen niet heeft behaald maar wel aantoonbaar geleverde inspanning heeft verricht om het examen te halen. [7]
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van eiseres afgewezen dient te worden vanwege het inburgeringsvereiste en dat zij niet in aanmerking dient te komen voor een vrijstelling van dit vereiste. Eiseres heeft in bezwaar met bewijsstukken onderbouwd dat zij ten tijde van het bestreden besluit meerdere onderdelen van het examen had behaald en dat zij veel pogingen heeft gedaan om (deze en de ontbrekende onderdelen van) het examen te behalen. Verweerder had hierin aanleiding moeten zien om te onderzoeken of de inspanningen van eiseres maken dat zij dient te worden ontheven van het inburgeringsvereiste op grond van artikel 3.96a, vierde lid, van het Vb. De enkele stelling van verweerder in het bestreden besluit, dat eiseres gelet op het hebben behaald van een aantal onderdelen ook verwacht kan worden de resterende onderdelen te halen, is daartoe onvoldoende. Verweerder maakt hiermee namelijk niet inzichtelijk of en hoe de frequentie en aard van de inspanningen van eiseres bekend waren en zijn betrokken in de besluitvorming. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onder deze omstandigheden niet kunnen afzien van het horen van eiseres in de bezwaarfase. De beroepsgrond slaagt.
6. Nu het beroep al om deze reden gegrond is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te beoordelen.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van eiseres. Daarbij dient een volledige heroverweging van het primaire besluit plaats te vinden. [8]
8. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [9] .
9. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiseres betaalde griffierecht en de door haar gemaakte proceskosten vergoeden. De vergoeding van de proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.721,-. [10]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 15 mei 2025;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €2.721,-;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €388,- aan eiseres te vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Op grond van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 10 mei 2017 in de zaak C-133/15, Chavez-Vilchez en anderen, ECLI:EU:C:2017:354 (arrest Chavez-Vilchez).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Eiseres verwijst daarbij naar twee arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie: arrest C en A van 7 november 2018, ECLI: EU:C: 2018:876 en arrest K en A van 9 juli 2015, ECLI:EU:C:2015:453.
4.Dat volgt uit artikel 45b, tweede lid, aanhef en onder g, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
6.Waaronder arrest C en A van 7 november 2018, ECLI: EU:C: 2018:876.
7.Op basis van artikel 3.96a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
8.Op grond van artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
9.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
10.1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,- per punt.