ECLI:NL:RBDHA:2026:4551

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56435 en NL25.56436
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 VwArt. 30a VwArt. 30b VwArt. 31 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardige verklaringen en onvoldoende onderbouwing risico's

Eiser, met de Gambiaanse en Nigeriaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die werd afgewezen omdat zijn identiteit en verklaringen over problemen met familie en criminele groepen niet geloofwaardig werden bevonden. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende documenten overlegde en geen oprechte inspanning leverde om zijn identiteit te staven.

Verweerder stelde dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag, mede omdat hij terug kan keren naar Nigeria. De rechtbank vond dat de gestelde problemen in Nigeria niet aannemelijk waren gemaakt en dat de risico's van cult-geweld en mensenhandel onvoldoende waren onderbouwd.

Eiser voerde aan dat verweerder het unierechtelijke toetsingskader niet correct toepaste en onvoldoende rekening hield met de veiligheidssituatie in Nigeria, maar deze bezwaren werden verworpen. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond werd afgewezen en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.56435 en NL25.56436
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser], eiser/verzoeker (hierna: eiser)

v-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Eiser heeft op 13 oktober 2023 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep en verzoek om voorlopige voorziening op 6 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser heeft verklaard dat hij [eiser] is en is geboren op [geboortedatum] 1995. Eiser heeft de Gambiaanse en Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Nigeria problemen heeft ervaren met zijn familie toen hij zijn vader is gaan zoeken en dat hij in Gambia vreest voor straf vanwege het stelen van het paard van zijn oom. Verder heeft eiser verklaard over problemen met een criminele groep in Libië en Italië en dat hij vreest voor repercussies van die groep bij terugkeer naar Gambia.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. De gestelde problemen in Gambia.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser deels geloofwaardig. [2] Eisers identiteit vindt verweerder niet geloofwaardig. Eiser heeft geen oprechte inspanning geleverd om zijn aanvraag te staven en heeft onvoldoende documenten overgelegd zonder daar een goede verklaring voor te geven. Eiser heeft geen identificerende documenten overlegd en niet geprobeerd documenten te verkrijgen. Ook is eiser in grote lijnen niet geloofwaardig, omdat hij tijdens zijn vorige aanvraag met onbekende bestemming is vertrokken. Verweerder vindt eisers herkomst wel geloofwaardig en ook dat eiser zowel de Gambiaanse als de Nigeriaanse nationaliteit heeft.
3.2.
Verweerder heeft de gestelde problemen in Gambia niet op geloofwaardigheid getoetst, omdat eiser, vanwege zijn dubbele nationaliteit, terug kan keren naar Nigeria. Verweerder heeft zich op grond van de geloofwaardig geachte asielmotieven, feiten en omstandigheden op het standpunt gesteld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Dat eiser uit Gambia komt is niet voldoende om vluchteling te zijn en de problemen die eiser stelt te hebben gehad in Nigeria, heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn gehoren gelogen heeft en bewust onjuiste informatie heeft verstrekt over het overlijden van zijn vader. Daarnaast heeft eiser vaag verklaard over de gestelde problemen met zijn gestelde (half)broers in Nigeria. Deze gestelde problemen hebben zich lang geleden afgespeeld en eiser heeft geen documenten overgelegd om het bestaan van de (half)broers en de problemen te onderbouwen.
3.3.
Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dat eiser uit Nigeria komt is niet voldoende om een risico op ernstige schade aan te nemen en de geloofwaardige asielmotieven zijn niet te herleiden tot één van de situaties zoals genoemd in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij problemen zal ervaren bij terugkeer naar Nigeria vanwege het behoren tot de Igbo bevolkingsgroep of vanwege het cult-gerelateerd geweld in Nigeria. Ten slotte heeft eiser niet onderbouwd dat hij in Nigeria problemen zal ervaren met mensenhandelaren of dat zij naar hem op zoek zouden zijn.
3.4.
Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser de minister heeft misleid en omdat de aanvraag een opvolgende aanvraag is die niet niet-ontvankelijk is verklaard [3] .
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser in strijd met de Werkinstructie 2024/6 en het unierechtelijke toetsingskader heeft gehandeld. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft een duidelijke verklaring gegeven over het verlies van zijn documenten en daarom mag het ontbreken van identiteitsdocumenten hem niet worden aangerekend. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de problemen met eisers familie niet aannemelijk zijn. Verweerder betrekt alleen de onduidelijkheden in de verklaringen van eiser in de beoordeling en niet ook de intern consistente verklaringen die eiser heeft afgelegd.
Verder voert eiser aan dat verweerder onvoldoende heeft beoordeeld of eiser gevaar loopt vanwege de mensenhandelaren en mogelijk dwang, uitbuiting of vergelding door hen. De verklaringen van eiser over de mensenhandel zijn niet bij de beoordeling betrokken en het is onredelijk eiser tegen te werpen dat hij niet weet of de mensenhandelaren actief naar hem op zoek zijn. Eiser voert ook aan dat verweerder uitgaat van een verouderd beeld van de veiligheidssituatie in Nigeria. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten om de toename van cult-gerelateerd geweld in Nigeria te betrekken in de beoordeling. Ten slotte is de aanvraag van eiser ten onrechte kennelijk ongegrond verklaard. Gelet op zijn uitgebreide en consistente verklaringen en de veiligheidssituatie in Nigeria kan van een evident ongegronde aanvraag geen sprake zijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Mocht verweerder de identiteit van eiser en de gestelde problemen in Nigeria ongeloofwaardig vinden?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en dat eiser in de tijd die is voorbijgegaan sinds zijn eerste asielaanvraag in Nederland niet heeft geprobeerd zijn identiteit verder te onderbouwen. Wat eiser heeft verklaard over het verliezen van zijn identiteitsdocumenten, maakt het voorgaande niet anders.
6.1.
De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiser over de problemen met zijn familie in Nigeria niet geloofwaardig zijn. Verweerder heeft daar terecht bij betrokken dat eiser heeft verklaard dat hij heeft gelogen over onderdelen van dit deel van zijn relaas. De rechtbank acht daarbij van belang dat verweerder het niet bij die vaststelling heeft gelaten, maar ook heeft betrokken dat de verklaringen onduidelijk zijn en dat eiser niet in staat is geweest om met zijn verklaringen een duidelijk beeld te schetsen van verschillende onderdelen van de gebeurtenissen met zijn familieleden.
6.2.
De stelling van eiser dat verweerder de geloofwaardigheid van de asielmotieven heeft beoordeeld in strijd met het daartoe opgestelde kader en werkinstructie, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft niet nader onderbouwd op welke wijze verweerder is afgeweken van dit kader en waarom dat zou maken dat zijn aanvraag niet zorgvuldig is beoordeeld. De stelling doet daarom niet af aan het voorgaande.
Was de beoordeling van verweerder volledig?
7. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder in de beoordeling onvoldoende heeft betrokken dat hij risico loopt bij terugkeer naar Nigeria vanwege de problemen met de mensenhandelaren en vanwege toegenomen geweld in Nigeria. De rechtbank volgt deze stellingen niet. Ten aanzien van de gestelde risico’s met de mensenhandelaren in Nigeria, overweegt de rechtbank dat verweerder de verklaringen van eiser hierover kenbaar heeft betrokken in de beoordeling. [4] Aan de hand van die verklaringen heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit netwerk in Nigeria actief of naar hem op zoek is. Daar heeft verweerder bij mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat de mensenhandelaren niet weten wie hij is en waar hij verblijft. De verklaringen die eiser aanhaalt in beroep, maken het voorgaande niet anders omdat ook met deze verklaringen niet is onderbouwd dat dit netwerk actief zou zijn in Nigeria of elders op zoek zou (kunnen) zijn naar eiser.
7.1.
Verder volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat verweerder onvoldoende heeft beoordeeld of eiser te vrezen heeft van het gesteld toegenomen cult-gerelateerd geweld in Nigeria. Verweerder heeft in de besluitvorming namelijk terecht betrokken dat eiser niet heeft gesteld of onderbouwd dat zijn vrees voor vervolging of ernstige schade gerelateerd is aan dit cult- of bende-gerelateerd geweld. In beroep heeft eiser weliswaar onderbouwd dat sprake is dergelijk geweld in Nigeria, maar niet duidelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor dit bendegeweld en waarom hij dat niet in de gehoren naar voren heeft gebracht. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
8. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat gelet op al het voorgaande, en gelet op het bepaalde in artikel 30b, eerste lid, onder g, verweerder terecht aanleiding heeft gezien om de aanvraag van eiser als kennelijk ongegrond af te wijzen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond.
10. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorafgaand aan de zitting heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat eiser op 26 november 2025 met onbekende bestemming uit de opvang is vertrokken. Nu eiser nog in contact staat met zijn gemachtigde, is tussen partijen niet in geschil dat eiser procesbelang heeft bij de behandeling van zijn beroep.
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder a, b en e van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Op grond van artikel 30a, eerste lid, onder c en g van de Vw.
4.Zie pagina’s 4 en 5 van het bestreden besluit.