ECLI:NL:RBDHA:2026:4553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.25261
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMInternationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kindparagraaf C2/4.1.2.2 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf pleegkind nareis

Eiser, een Jemenitisch pleegkind, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland bij zijn pleegvader, zijn oom, die sinds 2013 alle zorgtaken vervult. De minister wees de aanvraag af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat eiser feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent en omdat er een gezinsleven zou bestaan met de biologische ouders, die nog in beeld zijn en mogelijk hereniging kunnen aanvragen.

De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het gezinsleven met de biologische ouders wordt aangenomen, terwijl eiser al meer dan tien jaar geen praktische of affectieve band met hen heeft en zij geen zorgtaken vervullen. De toestemmingsverklaring van de biologische ouders en de langdurige zorg door de referent zijn onvoldoende betrokken in de besluitvorming.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de belangen van het kind centraal moeten staan. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan eiser vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25261

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

v-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H. Yousef),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis.
2. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 9 april 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 19 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiser en M. Saleh als tolk. Verweerder is met voorafgaand bericht niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2009 en heeft de Jemenitische nationaliteit. Hij heeft een aanvraag ingediend in het kader van nareis om bij zijn gestelde pleegvader, [referent] (referent) te verblijven. Referent heeft de Jemenitische nationaliteit en is de oom van eiser. Eiser stelt het pleegkind te zijn van referent, omdat zijn ouders hem bij hem hebben achtergelaten toen zij in 2013 naar het zuiden van Jemen zijn gevlucht. Sindsdien heeft referent voor eiser gezorgd en is er ongeveer twee keer per jaar telefonisch contact geweest met de biologische ouders van eiser.
4. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat eiser de feitelijke pleegsituatie niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder vindt het, op basis van de verklaringen van referent en op basis van het overgelegde document van de Jemenitische rechtbank, aannemelijk dat eiser sinds zijn vierde levensjaar is opgenomen in het gezin van referent, dat referent financieel verantwoordelijk is voor eiser en dat er vanwege het vervullen van zorg- en opvoedingstaken een afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen eiser en referent. Verweerder vindt het ook aannemelijk dat de biologische ouders van eiser geen zorg- en opvoedingstaken voor hem hebben vervuld sinds hun vertrek. Verweerder vindt het echter niet aannemelijk dat de biologische ouders van eiser niet in staat zijn om voor hem te zorgen. Bovendien zijn zij nog in beeld en betrokken bij eiser, omdat zij nog telefonisch contact hebben en het de bedoeling was om eiser en zijn biologische ouders te herenigen wanneer de oorlog in Jemen zou aflopen. Er bestaat daarom een gezinsband tussen eiser en zijn biologische ouders. Verweerder heeft er vervolgens op gewezen dat ingevolge paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), een pleegkind niet in aanmerking komt voor hereniging indien er een positieve verplichting bestaat onder artikel 8 van Pro het EVRM [1] om de biologische ouder(s) te herenigen met het pleegkind. Verweerder heeft geconcludeerd dat niet uitgesloten kan worden dat eiser herenigd zou kunnen worden met zijn biologische ouders en heeft de aanvraag vervolgens afgewezen.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat er sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn biologische ouders. Eiser heeft al meer dan 10 jaar geen praktische of affectieve band met zijn biologische ouders en zij zijn vrijwel volledig afwezig uit zijn leven. Het contact met zijn biologische ouders is alleen telefonisch en zeer summier. Verder voert eiser aan dat er tussen hem en referent gezinsleven bestaat in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft ten onrechte niet getoetst aan dat gezinsleven. Ten slotte voert eiser aan dat de belangen van het kind een eerste overweging dienen te zijn in de besluitvorming, maar dat verweerder de belangen van eiser niet heeft getoetst. Daarmee is het besluit in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. Zoals uiteengezet in paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vc, betrekt verweerder bij de beoordeling of het pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent de volgende elementen:
  • de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders;
  • de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;
  • de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent;
  • in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind; en
  • of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.
6.1.
Uit bovenstaande paragraaf van de Vc volgt verder dat verweerder, wanneer de biologische ouder(s) nog in leven en/of in beeld zijn, beoordeelt of sprake is van gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM tussen het pleegkind en de biologische ouder(s). Daarbij neemt verweerder als uitgangspunt dat de invulling die de biologische ouder aan het gezinsleven met het (pleeg)kind geeft, zo beperkt moet zijn, dat een eventuele belangenafweging in het kader van een 8 EVRM-aanvraag in het nadeel van de biologische ouder zal uitvallen.
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij feitelijk behoort tot het gezin van referent. In de beoordeling dat er gezinsleven bestaat tussen eiser en zijn biologische ouders, heeft verweerder het zwaartepunt gelegd in de omstandigheid dat niet uitgesloten kan worden dat zij in aanmerking zouden kunnen komen voor hereniging met eiser op grond van artikel 8 van Pro het EVRM en dat daarom (in overeenstemming van het beleid van verweerder) moet worden geconcludeerd dat de feitelijke pleegsituatie niet aannemelijk is. De rechtbank is van oordeel dat die beoordeling niet volledig is geweest. Zo heeft verweerder niet betrokken dat eiser een toestemmingsverklaring heeft overgelegd waarin zijn biologische ouder(s) toestemming geven voor het vertrek van eiser om bij referent (als pleegvader) te leven in Nederland. Ook is onvoldoende kenbaar betrokken dat, zoals verweerder aannemelijk heeft gevonden, eiser al zeer lange tijd is opgenomen in het gezin van referent en dat zijn biologische ouders geen zorg- of opvoedingstaken hebben vervuld. In de besluitvorming komt onvoldoende duidelijk naar voren wat dit voor de belangen van het kind betekent. Verweerder heeft onvoldoende inzichtelijk gemotiveerd hoe de conclusies over de zorgtaken van referent, het ontbreken van zorgtaken door de biologische ouders van eiser en de toestemmingsverklaring enerzijds, in verhouding staan met het geringe contact en de tevergeefse pogingen en/of intentie om eiser met zijn biologische ouders te herenigen anderzijds en dat daarom aangenomen moet worden dat er sprake is van gezinsleven tussen eiser en zijn biologische ouders. De beroepsgrond slaagt.
8. Nu het beroep al vanwege het voorgaande gegrond wordt verklaard, ziet de rechtbank geen aanleiding om de overige beroepsgronden te bespreken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiser met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de belangen van het kind draagt de rechtbank verweerder om op binnen vier weken een nieuw besluit te nemen.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiser vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,-. [2]
11. Eiser krijgt ook een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 22 mei 2025;
  • draagt verweerder op om binnen vier weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 189,- vergoedt;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.