Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4555

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.56945
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31, zesde lid, onder b Vreemdelingenwet 2000Art. 31, zesde lid, onder c Vreemdelingenwet 2000Art. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielverzoek Oegandees wegens onvoldoende bewijs LHBTI-betrokkenheid en politieke opinie

Eiser, een Oegandese DJ en geluidstechnicus, vroeg asiel aan in Nederland uit vrees voor vervolging vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de LHBTI-gemeenschap in Oeganda. Hij stelde dat zijn vrouw en kind waren ontvoerd vanwege zijn activiteiten en dat de Anti-Homosexuality Act in werking was getreden.

De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid van het asielmotief. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde bewijsstukken en verklaringen onvoldoende samenhangend en aannemelijk waren om de betrokkenheid bij de LHBTI-gemeenschap te onderbouwen. Ook de ontvoering van familieleden werd niet aannemelijk geacht.

Hoewel de rechtbank erkende dat eiser mogelijk een politieke opinie heeft, vond zij dat de minister terecht had geconcludeerd dat er geen reëel risico op vervolging bestaat. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar de rechtbank veroordeelde de minister tot vergoeding van de proceskosten van eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56945

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. A.C. Pool),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 31 maart 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Egei als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1987 en heeft de Oegandese nationaliteit. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor problemen met de Oegandese autoriteiten en de bevolking vanwege zijn associatie met de LHBTI gemeenschap. Eiser heeft verklaard dat hij werkzaam is geweest als DJ en geluidstechnicus op evenementen voor de LHBTI gemeenschap in Oeganda. Tijdens eisers verblijf in Nederland is in Oeganda de Anti-Homosexuality Act in werking getreden waarmee het promoten van homoseksualiteit strafbaar is gesteld. Vlak daarna zijn eisers vrouw en kind ontvoerd en mishandeld, waarbij is aangegeven dat er gezocht werd naar eiser vanwege het promoten van homoseksualiteit.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiser bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. Gestelde problemen vanwege banden met de LHBTI gemeenschap.
3.1.
Verweerder vindt de gestelde problemen vanwege de banden met de LHBTI gemeenschap niet geloofwaardig. De documenten die eiser heeft overgelegd zijn onvoldoende om het gehele asielmotief geloofwaardig te achten. Uit de documenten volgt immers niet dat eiser actief was in Oeganda als geluidstechnicus op LHBTI evenementen. De overgelegde steunverklaringen zijn geen objectieve bewijsstukken. De overgelegde flyers van evenementen en bewijzen van cursussen ondersteunen de stelling dat eiser DJ was, maar vormen geen bewijs dat zijn werkzaamheden LHBTI evenementen betrof. Ook uit de video en overgelegde foto’s volgt niet dat eiser betrokken was bij de LHBTI gemeenschap.
Verweerder heeft het asielmotief niet alsnog geloofwaardig geacht op basis van de verklaringen van eiser. Hij heeft namelijk geen documenten overgelegd van zijn werkzaamheden binnen de LHBTI gemeenschap en heeft daarvoor geen goede verklaring. [1] Eisers verklaringen over deze werkzaamheden en over het verloop van de evenementen voor de LHBTI gemeenschap waar hij bij betrokken stelt te zijn geweest, vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in het vizier zou staan van de autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de LHBTI evenementen en hij heeft summier verklaard over deze evenementen. Daarbij is het opmerkelijk dat eiser drie dagen na het aannemen van de nieuwe wetgeving plotseling in het vizier van de autoriteiten zou staan, terwijl er daarvoor geen sprake was van problemen, bedreigingen of aanwijzingen dat eiser in de aandacht van de autoriteiten zou staan vanwege zijn betrokkenheid bij de LHBTI gemeenschap. Eiser heeft het verband tussen zijn werkzaamheden als DJ en de toepassing van de nieuwe wetgeving niet aannemelijk gemaakt. Ten slotte heeft eiser onsamenhangend en niet aannemelijk verklaard over de ontvoering en mishandeling van zijn vrouw, nu niet is in te zien dat de autoriteiten haar hebben vrijgelaten zonder verder te zoeken naar eiser en ook nooit meer iets van zich hebben laten horen.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat zijn asielmotief ongeloofwaardig is. Verweerder heeft niet alle bewijsstukken beoordeeld en bovendien de bewijsstukken en verklaringen van eiser onvoldoende in samenhang beoordeeld. De video, de flyers, de verklaringen van eiser en de steunverklaringen tonen in onderlinge samenhang dat eiser actief was in de muziekscene in Oeganda. Verweerder heeft zich daarbij onvoldoende rekenschap gegeven van de moeilijkheden die eiser ondervindt als het gaat om het overleggen van bewijsstukken vanwege de algemene situatie van LHBTI personen in Oeganda. Eiser heeft twee steunverklaringen overgelegd en kan geen verdere bewijsstukken verkrijgen omdat de Oegandese autoriteiten LHBTI organisaties in de weg zitten en er een onveilige sfeer heerst rondom evenementen voor de LHBTI gemeenschap. Het documenteren van dergelijke bijeenkomsten is risicovol en eiser heeft verklaard dat hij zijn vrienden uit de LHBTI gemeenschap wil beschermen. Verder heeft verweerder ten onrechte gesteld dat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn activiteiten in Oeganda, terwijl eiser verschillende evenementen noemt en uitgebreid heeft verklaard over zijn werkzaamheden en de problemen die hij al eerder heeft ondervonden naar aanleiding van zijn werkzaamheden. [3] De kennis die eiser heeft over de LHBTI gemeenschap kan bovendien alleen zijn opgedaan door zelf onderdeel te zijn van deze gemeenschap. Ook heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser onsamenhangend heeft verklaard over het ontbreken van vervolgacties door de autoriteiten. Er is namelijk geen rekenschap gegeven van het feit dat eiser geen contact meer heeft met mensen uit zijn omgeving en dat zijn vrouw hun woonplaats direct heeft verlaten na de ontvoering. Ten slotte is ten onrechte niet beoordeeld of eiser vanwege zijn politieke opinie over de LHBTI gemeenschap in Oeganda te vrezen heeft voor vervolging. Eiser uit zijn mening over (de behandeling van) LHBTI personen ook in gesprekken en heeft daar al problemen door ondervonden. In Oeganda kan hij zich niet veilig uiten over zijn gedachtengoed, ook vanwege de aangenomen Anti-Homosexuality Act. Daarin wordt het promoten van homoseksualiteit verboden en de autoriteiten interpreteren promoten in brede zin. [4]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit oordeel hieronder uitleggen.
Mocht verweerder het asielmotief ongeloofwaardig vinden?
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser betrokken was bij de LHBTI gemeenschap in Oeganda en dat daardoor problemen zijn ontstaan. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat uit de overgelegde stukken en de verklaringen van eiser weliswaar blijkt dat hij als DJ en geluidstechnicus werkzaam was in Oeganda, maar dat uit het geheel van de stukken en verklaringen onvoldoende blijkt dat hij vanwege dat werk bij de LHBTI gemeenschap betrokken is geweest. De verklaringen van eiser geven daar namelijk onvoldoende inzicht in. Zo heeft verweerder mogen vinden dat eiser summier heeft verklaard over zijn rol bij de evenementen die werden georganiseerd door en voor de LHBTI gemeenschap, over het verloop en inhoud van de evenementen, over de banden die hij verder had met de gemeenschap en over de andere bijeenkomsten waaraan eiser stelt te hebben deelgenomen. Verweerder heeft daar terecht bij betrokken dat eiser wel uitgebreid(er) kan verklaren over zijn werkzaamheden en de inhoud van andere evenementen (niet specifiek voor de LHBTI gemeenschap) waar hij betrokken bij is geweest. Hoewel de rechtbank eiser kan volgen in zijn stelling dat hij moeilijkheden ondervindt bij het verkrijgen van bewijsmateriaal over LHBTI evenementen vanwege de situatie voor LHBTI personen in Oeganda en het geheime karakter van deze bijeenkomsten, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank juist het zwaartepunt van de beoordeling gelegd in de verklaringen van eiser en niet in het ontbreken van bewijsstukken. De rechtbank kan eiser dan ook niet volgen in zijn stelling dat de bewijsstukken en verklaringen onvoldoende in samenhang zijn beoordeeld.
6.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de ontvoering en mishandeling van eisers vrouw niet geloofwaardig is. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser met zijn verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gestelde ontvoering samenhangt met zijn gestelde betrokkenheid bij de LHBTI gemeenschap. Hoewel van eiser niet verwacht kan worden dat hij het handelen van de autoriteiten volledig kan verklaren, heeft verweerder ook mogen betrekken dat het opvallend is dat de autoriteiten eiser zouden hebben gezocht bij zijn woning op het moment dat zij ervan op de hoogte waren dat hij niet in Oeganda verbleef. Daarnaast is eiser met een visum op legale wijze Oeganda uitgereisd, waarbij hij contact heeft gehad met de autoriteiten. De beroepsgrond slaagt niet.
Had verweerder de politieke opinie van eiser (uitgebreider) moeten beoordelen?
7. De rechtbank volgt het betoog van eiser dat onvoldoende is gemotiveerd dat hij geen politieke opinie heeft. Eiser heeft immers uitdrukkelijk verklaard over zijn mening over de rechten en discriminatie van LHBTI personen in Oeganda en dat zijn mening daarmee afwijkt van hoe de autoriteiten en de maatschappij zich opstellen tegenover deze groep. Eiser heeft ook desgevraagd verklaard over hoe hij zijn opinie uit. Verweerder had hierin aanleiding moeten zien om aan te nemen dat eiser een politieke opinie heeft en die opinie als asielmotief moeten herkennen. Het besluit bevat in zoverre een motiveringsgebrek.
7.1.
De rechtbank ziet hierin echter geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. Verweerder heeft namelijk met zijn toelichting ter zitting voldoende gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiser vanwege zijn opinie te vrezen heeft voor vervolging of ernstige schade bij terugkeer naar Oeganda. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat eiser heeft verklaard geen activist te (willen) zijn en dat hij zichzelf als sympathisant van de LHBTI gemeenschap ziet. Dit sluit aan bij de activiteiten en uitingen waar eiser over heeft verklaard. Verweerder heeft vervolgens terecht geconcludeerd dat aan de hand van de verklaringen van eiser en de informatie waar hij op heeft gewezen, niet aannemelijk is dat sympathisanten van de LHBTI gemeenschap te maken hebben met vervolging in Oeganda. Ook uit de publicatie waar eiser op heeft gewezen ter zitting [5] volgt niet dat personen die zich uiten zoals eiser naar aanleiding van de aangenomen wetgeving vervolging vrezen. De rechtbank passeert daarom het geconstateerde gebrek, nu eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. [6]

Conclusie en gevolgen

8. Verweerder heeft de aanvraag mogen afwijzen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9. In het geconstateerde gebrek in overweging 7 ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,-. [7]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 31, zesde lid, onder b van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw.
3.Eiser verwijst hierbij naar zijn verklaringen op pagina’s 11 en 12 van het nader gehoor.
4.Eiser verwijst hierbij naar het rapport Civic Freedom Monitor Uganda van 2 maart 2024.
5.Het rapport Civic Freedom Monitor Uganda van 2 maart 2024.
6.Artikel 6:22 van Pro de Awb maakt dit mogelijk.
7.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.