ECLI:NL:RBDHA:2026:4562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.23660 en NL25.8422
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Richtlijn 2001/55/EGArt. 3.9a VV 2000Art. 3, vierde lid UitvoeringsbesluitArt. 8:81 AwbArt. 8:83, derde lid Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling die voor peildatum vertrok

Eiseres, een Oekraïense nationaliteit houdende vreemdeling, diende een aanvraag in voor verblijf onder de Richtlijn tijdelijke bescherming. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie afgewezen omdat eiseres vóór de peildatum van 27 november 2021 Oekraïne had verlaten, waardoor zij niet tot de beschermde doelgroep behoort.

Eiseres voerde aan dat haar vertrek uit Oekraïne niet vrijwillig was en dat zij onder artikel 3.9a van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 viel, evenals onder de definitie van gezinslid in het Uitvoeringsbesluit, mede vanwege haar afhankelijkheid van haar ernstig zieke moeder. Tevens stelde zij dat zij ten onrechte niet was gehoord.

De rechtbank oordeelde dat de Richtlijn tijdelijke bescherming niet op eiseres van toepassing is omdat zij vóór de peildatum Oekraïne verliet en niet als gezinslid van haar moeder kan worden aangemerkt, aangezien zij niet samenwoonden op de peildatum. Het horen van eiseres was niet vereist omdat het bezwaar geen andere uitkomst kon hebben.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiseres kreeg geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.23660 en NL25.8422
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster (hierna: eiseres)
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van de aanvraag op verblijf onder de Richtlijn tijdelijke bescherming (de Richtlijn) [1] en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiseres.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 januari 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 30 april 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Oekraïense nationaliteit. Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot verblijf onder de Richtlijn.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat niet is gebleken dat eiseres behoort tot één van de doelgroepen zoals genoemd in de Richtlijn. Redengevend hiervoor is dat eiseres vóór de peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne is vertrokken.

Wat vindt eiseres in beroep?

5. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en gebrekkig is gemotiveerd. Ondanks haar verblijf in Egypte sinds 2016, is het nooit de intentie van eiseres geweest zich duurzaam buiten Oekraïne te vestigen. De peildatum is op zichzelf niet leidend, ook de intentie van de vreemdeling speelt een cruciale rol. De beslissing van eiseres om naar Egypte te vertrekken was vanwege het werk van haar echtgenoot, maar is mede ingegeven door de annexatie van de Krim in 2014. Het betrof geen zelfstandige of vrijwillige emigratie uit Oekraïne en eiseres was van plan om op termijn naar Oekraïne terug te keren. Eiseres valt onder de groep van personen die kort voor de invasie Oekraïne heeft verlaten, met als tijdelijk doel om in een ander land te verblijven. Zij valt onder artikel 3.9a, eerste lid, onder a van het Voorschrift Vreemdelingen [2] . De uitleg van verweerder is te strikt. Subsidiair stelt eiseres dat zij recht heeft op tijdelijke bescherming, omdat zij valt onder de definitie van gezinslid, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit. Weliswaar hebben eiseres en haar moeder ten tijde van de peildatum niet samengewoond, zij zijn wel voor een groot deel afhankelijk van elkaar, mede omdat de moeder van eiseres ernstig ziek is en borstkanker heeft. Tot slot heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiseres.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eiseres ongegrond is. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
7. Uit artikel 3.9a van het VV 2000 volgt dat tijdelijke bescherming wordt toegekend aan vreemdelingen met de Oekraïense nationaliteit die na 26 november 2021 uit Oekraïne zijn ontvlucht of die in de periode van 27 november 2021 tot en met 23 februari 2022 naar het grondgebied van de Europese Unie zijn gereisd (eerste lid, onder a) en familieleden van deze personen (eerste lid, onder c). Om als overig familielid bescherming te hebben onder de Richtlijn, moet er sprake zijn van afhankelijkheid en samenwoning op de peilmomenten 27 november 2021 of 23 februari 2022.
8. Verweerder stelt terecht dat de Richtlijn niet op eiseres van toepassing is. Niet in geschil is dat eiseres vóór de peildatum van 27 november 2021 uit Oekraïne is vertrokken. [3] Verweerder heeft ook kunnen tegenwerpen dat eiseres niet als gezinslid van haar moeder onder de Richtlijn valt. Eiseres verklaart zelf dat ze op het peilmoment niet met haar moeder samengewoonde. Ook daarvoor woonden eiseres en haar moeder al langer niet meer samen, nu eiseres in 2016 al Oekraïne verliet, omdat zij met haar echtgenoot naar Egypte verhuisde voor zijn werk. Dat eiseres door omstandigheden nu bij haar moeder woont en zij haar ondersteunt en onderhoudt, heeft verweerder voor deze beoordeling niet relevant hoeven achten.
9. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat verweerder eiseres niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [4] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijkt krijgt. Het bestreden besluit blijft dus in stand.
11. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
12. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001, betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2.Voorschrift Vreemdelingen 2000.
3.Zie artikel 3.9a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV).
4.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
5.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.