ECLI:NL:RBDHA:2026:4563

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.23868
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.42 VbArt. 3.23 VVArt. 4:84 AwbArt. 26 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsvergunning zoekjaar wegens termijnoverschrijding en geen toezegging

Eiser, een Surinaamse nationaliteit, had een verblijfsvergunning voor studie die werd ingetrokken nadat hij zijn studie stopzette vanwege een diplomawaardering die zijn opleiding gelijkstelde aan een afgeronde eerstegraadsdocent biologie opleiding. Hij vroeg vervolgens om wijziging van zijn verblijfsvergunning naar een zoekjaar om werk te zoeken, maar deze aanvraag werd afgewezen omdat deze één dag te laat was ingediend na afronding van zijn studie.

Eiser voerde aan dat hij tijdig had ingediend en dat hij op basis van informatie van de IND mocht vertrouwen op een positieve uitkomst van zijn aanvraag. Hij stelde dat hij was misleid door de IND en dat het vertrouwensbeginsel geschonden was. De rechtbank oordeelde echter dat de aanvraag niet tijdig was ingediend en dat de IND geen concrete en ondubbelzinnige toezegging had gedaan die het vertrouwensbeginsel zou rechtvaardigen.

De rechtbank benadrukte dat het aan eiser was om zich goed te informeren over de voorwaarden en termijnen en dat het advies van de IND slechts procedureel was zonder inhoudelijke garanties. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning zoekjaar wordt ongegrond verklaard vanwege termijnoverschrijding en het ontbreken van een concrete toezegging.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.23868

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. M.E. Muller),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 8 maart 2024 afgewezen. Vervolgens is het besluit van 8 maart 2024 ingetrokken en daarvoor in de plaats heeft verweerder het besluit van 11 april 2024 genomen, waarin de aanvraag opnieuw is afgewezen. Met het bestreden besluit van 6 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mevrouw [naam] (de zus van eiser), mr. D.F. Oberman als waarnemend gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van verweerder. Ook was mr. M.E. Muller aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser is in het bezit geweest van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd voor het doel ‘Studie’. Zijn verblijfsvergunning was aanvankelijk geldig van 15 augustus 2023 tot 30 november 2027 en was afgegeven omdat hij een opleiding aan de hogeschool in Almere volgde. Uit een diplomaherwaardering van zijn reeds in Suriname behaalde diploma bleek echter dat de door eiser afgeronde opleiding al gelijkwaardig was aan eerstegraadsdocent biologie (hbo+), de opleiding die hij aan de hogeschool in Almere volgde. Eiser is daarom gestopt met deze opleiding om zo snel mogelijk als docent biologie aan het werk te kunnen gaan. Eiser heeft op 12 december 2023 verzocht om wijziging van het doel van zijn verblijfsvergunning van ‘Studie’ naar ‘Het zoeken naar en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’ (hierna: zoekjaar).
4. De verblijfsvergunning met als doel ‘Studie’ is per 1 februari 2024 ingetrokken door verweerder. Eiser voldeed niet meer aan de voorwaarden daarvoor, omdat hij zich had uitgeschreven van zijn studie. Eiser heeft daarna op 10 september 2024 ook een aanvraag ingediend tot wijziging van zijn verblijfsvergunning naar ‘arbeid in loondienst’, deze heeft niet tot een verblijfsvergunning geleid.
5. Verweerder heeft eisers aanvraag voor een zoekjaar afgewezen, omdat eiser niet aan de voorwaarden voldoet. [1] Eiser heeft de aanvraag niet ingediend binnen drie jaar na afronding van zijn studie. [2] De aanvraag is op 12 december 2023 ontvangen door de IND, dat is één dag na het verstrijken van de termijn. Dit komt volgens verweerder voor rekening en risico van eiser. Ook is er geen aanleiding om wegens bijzondere omstandigheden af te wijken van de beleidsregels, in de zin van artikel 4:84 Awb Pro [3] . Daarnaast is het besluit niet in strijd met het evenredigheids- en vertrouwensbeginsel.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser stelt dat hij een aanvraag heeft ingediend binnen drie jaar na afronding van zijn opleiding, omdat hij zijn opleiding op 11 december 2020 heeft afgerond en hij de aanvraag op 9 december 2023 heeft verzonden. Eiser beroept zich verder op het vertrouwensbeginsel. Op basis van de gedragingen en uitlatingen van de IND, mocht eiser er gerechtvaardigd op vertrouwen dat hij in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning zoekjaar. In december 2023 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met de IND, hem werd geadviseerd een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor een zoekjaar in te dienen. Daarbij werd hem medegedeeld dat hij op basis daarvan zou kunnen werken en later ook een masteropleiding zou kunnen starten, dan wel een werkgever zou kunnen vinden die als referent kan optreden. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat hij aan de voorwaarden voor een zoekjaar voldeed. Derhalve heeft eiser de aanvraag voor een zoekjaar ingediend en zich uitgeschreven bij zijn opleiding. In januari 2024 heeft eiser ook een sticker in zijn paspoort ontvangen, waarbij hem door de IND-medewerker is medegedeeld dat hij zich geen zorgen hoeft te maken en dat een zoekjaar vrijwel nooit wordt afgewezen. Er zijn dus toezeggingen aan eiser gedaan en dat kan aan verweerder worden toegerekend. Door de afwijzing van zijn aanvraag voor een zoekjaar is eiser in een complexe situatie terecht gekomen. Eiser voelt zich misleid door de informatievoorziening van de IND. In de belangenafweging weegt de schending van het vertrouwensbeginsel daarbij zwaarder dan het belang van derden of het algemeen belang. Het besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen. Ook heeft eiser immateriële schade opgelopen door de langdurige onzekerheid over zijn verblijfsrecht in Nederland.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is, eiser krijgt dus geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
8. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser de aanvraag tot wijziging van het doel van zijn verblijfsvergunning niet binnen de termijn van drie jaar, zoals bedoeld in artikel 3.42, eerste lid, aanhef van het Vb, heeft ingediend. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat uit het door eiser overgelegde diploma blijkt dat eiser de opleiding aan het Instituut voor de opleiding van leraren te Suriname heeft afgerond op 11 december 2020. Op 12 december 2023 heeft verweerder de aanvraag ontvangen, daartussen ligt een periode van drie jaar en één dag. Verweerder heeft er daarbij terecht op gewezen dat de dag van ontvangst van de aanvraag bepalend is voor de vraag of de aanvraag tijdig is gedaan. [4] Ter zitting heeft verweerder er ook op mogen wijzen dat pas na ontvangst van de aanvraag een inhoudelijke beoordeling daarvan kan worden gemaakt. Het is aan eiser om zichzelf op de hoogte te stellen van de voorwaarden voor het indienen van de aanvraag en de daarbij behorende termijnen. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiser goede intenties heeft gehad en te goeder trouw heeft gehandeld op advies van de IND, is zij van oordeel dat het toch voor rekening van eiser moet komen dat hij zich onvoldoende heeft laten informeren voordat hij naar Nederland kwam.
9. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat zelfs als eiser zijn aanvraag wel tijdig zou hebben ingediend, hij niet heeft aangetoond dat zijn diploma ten minste een afgeronde masteropleiding betreft die is behaald aan een onderwijsinstelling die ten minste twee keer voorkomt in de top 200 van de aangewezen en toepasselijke ranglijsten van afzonderlijke uitgevers al bedoeld in artikel 3.23 VV. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser geen diplomawaardering van Nuffic heeft overgelegd. Eiser heeft dit ook niet betwist.
10. Bij de beoordeling van een beroep op het vertrouwensbeginsel moeten, drie stappen worden doorlopen. De eerste is de juridische kwalificatie van de uitlating en/of gedraging waarop de betrokkene zich beroept. Doorgaans zal de uitlating en/of gedraging door een ambtenaar worden gedaan of worden verricht, maar dit kan ook gebeuren door anderen, bijvoorbeeld een wethouder of derden die door het bestuursorgaan worden ingeschakeld. De vraag die daarbij beantwoord moet worden is of die uitlating en/of gedraging gekwalificeerd kunnen worden als een toezegging. Bij de tweede stap moet de vraag worden beantwoord of die toezegging aan het bevoegde bestuursorgaan kan worden toegerekend. Indien beide vragen bevestigend worden beantwoord, en er dus een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gedaan, volgt de derde stap. In het kader van die derde stap zal de vraag moeten worden beantwoord wat de betekenis van het gewekte vertrouwen is bij de uitoefening van de betreffende bevoegdheid [5] .
11. Eisers beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat er geen concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan aan eiser door de IND-medewerker, nu deze enkel heeft geadviseerd om een aanvraag voor een verblijfsvergunning “zoekjaar kennismigrant na studie” in te dienen. Dat advies is van procedurele aard en bevat geen inhoudelijk oordeel over de vraag of eiser aan de wettelijke voorwaarden voldoet, en ook geen toezegging dat de aanvraag zal worden ingewilligd. Verweerder heeft mogen tegenwerpen dat eiser niet heeft onderbouwd en dat ook niet uit de geschetste gang van zaken is gebleken dat er sprake is geweest van een welbewuste standpuntbepaling. De IND-medewerker heeft advies gegeven op basis van de door eiser telefonisch doorgegeven gegevens, zonder over een dossier of iets dergelijks van eiser te beschikken. Dat aan eiser zou zijn toegezegd dat een zoekjaarvergunning bijna altijd wordt toegekend vanwege het lerarentekort, is door eiser niet nader onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder mogen betrekken dat de afgifte van een verblijfssticker niet kan worden aangemerkt als een toezegging, omdat deze enkel wordt afgegeven om de beslissing op de aanvraag af te wachten. Nu er geen sprake is van een concrete en ondubbelzinnige toezegging, slaagt reeds hierom het beroep op het vertrouwensbeginsel niet.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zoals gesteld in artikel 3.42, eerste lid, aanhef van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), artikel 3.23 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV) en paragraaf B6/2.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc)).
2.Zoals vereist volgens artikel 3.42, eerste lid, aanhef van het Vb.
3.Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 26, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694.