ECLI:NL:RBDHA:2026:4564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 februari 2026
Publicatiedatum
6 maart 2026
Zaaknummer
NL25.24993
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:8 AwbArt. 4:13 AwbArt. 4:14 AwbArt. 4:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding

Eiser, een Marokkaanse student geboren in 2017, verzocht om een visum voor kort verblijf om familie te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af omdat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Marokko had aangetoond, mede doordat hij de vragenlijst visumaanvraag niet had ingevuld.

Eiser stelde dat het besluit in strijd was met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat het besluit voldoende was gemotiveerd en zorgvuldig tot stand was gekomen. De rechtbank stelde dat verweerder terecht twijfelde aan de terugkeergarantie vanwege het ontbreken van bewijs van sociale banden en economische binding.

De rechtbank vond dat verweerder niet hoefde te horen omdat het bezwaar geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatte die tot een ander besluit konden leiden. Het beroep werd ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.24993

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. T. Stelpstra).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een visum kort verblijf.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 25 oktober 2024 afgewezen (het primaire besluit). Met het bestreden besluit van 27 mei 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 9 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2017 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft op 4 oktober 2024 verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf. Eiser wenst op familiebezoek te gaan bij de heer [garantsteller 1] en mevrouw [garantsteller 2] (garantstellers). Gelijktijdig met zijn aanvraag voor eiser is ook een aanvraag voor zijn vader, [vader] , en zijn moeder, [moeder] ingediend. Zij berusten zich, in tegenstelling tot eiser, in de rechtsgevolgen van het primaire besluit.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser het doel en de omstandigheden van het voornomen besluit niet aangetoond. Ook bestaat er redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. De sociale en economische binding van eiser met het land van herkomst of bestendig verblijf is immers onvoldoende aangetoond. Nu eiser de ‘vragenlijst visumaanvraag’ niet binnen de gestelde termijn aan verweerder ingevuld heeft teruggestuurd en er ook niet is aangegeven waarom de vragenlijst niet is teruggestuurd, heeft verweerder niet kunnen vaststellen wat de familierechtelijke relatie is tussen eiser en referenten en of eiser een sociale en economische binding heeft met Marokko, waardoor hij tijdig zal terugkeren naar Marokko voordat de geldigheid van het visum verstrijkt.
Wat vindt eiser in beroep?
5. Eiser stelt dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Ook is de hoorplicht geschonden. Dat de ouders van eiser zich in de afwijzing van de visumaanvraag berusten, vormt een extra waarborg voor de sociale binding van eiser. Daarbij is de economische binding van eiser niet relevant, omdat eiser student is en zijn vader hem in zijn levensonderhoud voorziet. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet alle individuele belangen van eiser op diens merites meegewogen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Het besluit is voldoende gemotiveerd en op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Sociale en economische binding
7. Voor de vraag of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toetst verweerder de sociale en economische binding van de aanvrager met zijn land van herkomst. Naarmate de binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten toe- of afnemen. Het is dan ook aan eiser om aannemelijk te maken dat de sociale en/of economische binding met Marokko dusdanig is dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat tijdige terugkeer gewaarborgd is.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen tegenwerpen dat er onvoldoende sociale en economische binding van eiser met Marokko is gebleken.
8.1.
Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de sociale binding van eiser met het land van herkomst of bestendig verblijf onvoldoende is aangetoond. Verweerder heeft daarbij mogen meewegen dat eiser 18 jaar oud is, ongehuwd is en geen kinderen heeft. Hij heeft dus geen sociale band met Marokko voor wat betreft een eigen gezin. Verweerder heeft daarbij mogen concluderen dat het vanwege het niet invullen van de vragenlijst niet bekend is waar de ouders en eventuele broers en zussen van eiser verblijven, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat de sociale binding van eiser met Marokko zodanig sterk is dat de tijdelijke terugkeer gewaarborgd is te achten. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is van een (bijzondere) zorgplicht en/of verantwoordelijkheid van eiser jegens zijn familieleden (of vice versa), of een bijzondere omgang tussen hen, op basis waarvan eiser redelijkerwijs gehouden zou zijn tijdig terug te keren.
8.2.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij voldoende economische binding heeft met Marokko. Eiser heeft aangegeven student te zijn. Verweerder heeft zich op het standpunt mogen stellen dat het overgelegde schoolcertificaat onvoldoende is om aan te tonen dat eisers daadwerkelijk een studie volgt. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat, voor zover dat wel zou worden aangenomen, niet is komen vast te staan dat eiser een dusdanige waarde hecht aan deze opleiding om op basis daarvan naar Marokko terug te keren. Verweerder wijst er terecht op dat er bijvoorbeeld geen stukken zijn overgelegd over de studievoortgang van eiser. Verweerder heeft ook kunnen betrekken dat niet is gebleken dat eiser zijn studie niet zou kunnen onderbreken en eventueel elders zou kunnen hervatten. Daarnaast heeft verweerder erop kunnen wijzen dat eiser heeft nagelaten documenten te overleggen ter onderbouwing van de economische binding met Marokko. Dat de vader van eiser in zijn levensonderhoud voorziet, heeft verweerder onvoldoende mogen vinden. Het is immers van belang dat eiser zelfstandig over een rechtmatig en substantieel inkomen beschikt.
8.3.
Hiernaast heeft verweerder mogen tegenwerpen dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en de referenten niet is aangetoond. Ook hierdoor heeft eiser het doel van zijn visum, namelijk familiebezoek, niet aangetoond.
Hoorplicht
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [1] Eiser is in de bezwaarprocedure voldoende in de gelegenheid gesteld om (aanvullende) informatie te verstrekken en stukken te overleggen, hier is onvoldoende gebruik van gemaakt. Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Het bestreden besluit blijft dus in stand. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.