Uitspraak
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende man, vroeg op 12 april 2024 een verblijfsvergunning regulier aan voor verblijf bij zijn partner in Nederland. Hij stelde vrijstelling van het mvv-vereiste te rechtvaardigen op medische gronden vanwege ernstig hersenletsel na een verkeersongeval en een lopend revalidatietraject.
De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af en legde een inreisverbod op, stellende dat eiser niet voldeed aan de medische vrijstellingscriteria en dat de belangenafweging in het kader van het recht op familie- en gezinsleven (artikel 8 EVRM Pro) in het nadeel van eiser uitviel. De rechtbank oordeelde dat het BMA-rapport juist was toegepast en dat geen medische noodsituatie bestond die vrijstelling rechtvaardigde.
Verder concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging omtrent het familieleven zorgvuldig was gemaakt, dat eiser geen bijzondere persoonlijke omstandigheden had aangevoerd die een uitzondering rechtvaardigen, en dat de hoorplicht was nageleefd. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de uitspraak in het beroep was gedaan.
De rechtbank handhaafde het terugkeerbesluit en het opgelegde inreisverbod en wees het beroep af. Eiser kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.