De rechtbank Den Haag behandelde op 20 januari 2026 het verzoek van de vrouw om voorlopige voorzieningen te treffen in het kader van de echtscheidingsprocedure. De vrouw verzocht onder meer om het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, toevertrouwing van de minderjarige kinderen aan haar, een voorlopige zorgregeling en een voorlopige kinderalimentatie.
De rechtbank overwoog dat het niet in het belang van de kinderen is dat de ouders samen in de woning blijven wonen vanwege de gespannen thuissituatie. Na belangenafweging werd het uitsluitend gebruik van de woning aan de vrouw toegekend, waarbij de man de woning moet verlaten, met uitzondering van de momenten dat hij zorg draagt voor de kinderen. De kinderen werden aan de vrouw toevertrouwd zodat zij in hun vertrouwde omgeving kunnen blijven.
De voorlopige zorgregeling bepaalt dat de man de kinderen in de oneven weken van vrijdag na school tot zondagavond verzorgt en in de even weken op donderdag na school tot bedtijd, waarbij hij op die momenten in de woning verblijft en de vrouw tijdelijk elders verblijft. De vakanties worden voorlopig in onderling overleg gelijk verdeeld.
Voor de voorlopige kinderalimentatie werd uitgegaan van de actuele inkomenssituatie van partijen, waarbij de draagkracht van de vrouw en man werd berekend. De gezamenlijke draagkracht was onvoldoende om volledig in de behoefte van de kinderen te voorzien, waardoor een tekort ontstond. Na toepassing van een zorgkorting en verdeling van het tekort werd vastgesteld dat de man voorlopig €263 per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw moet betalen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders verzochte werd afgewezen.