Op 4 februari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor een minderjarige geboren in 2018. De ondertoezichtstelling geldt voor de duur van drie maanden en is ingesteld op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming regio Haaglanden.
De ouders van de minderjarige hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag, maar zijn niet in staat constructief te overleggen over de zorg en hulpverlening voor hun kind. De moeder heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door de vader, maar de strafzaak is geseponeerd; de moeder is tegen deze beslissing in beroep gegaan. Hierdoor is het contact tussen vader en kind beperkt tot videobellen, en heeft de minderjarige haar vader bijna twee jaar niet fysiek gezien.
De kinderrechter acht het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer wordt ingezet om passende hulpverlening te organiseren en de communicatie tussen ouders te verbeteren. De voorlopige ondertoezichtstelling is bedoeld om een acute en ernstige bedreiging voor het welzijn van de minderjarige weg te nemen en de juiste hulpverlening op gang te brengen.
De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door kinderrechter C. de Jong-Kwestro, en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.