Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:4596

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
7 maart 2026
Zaaknummer
C/09/699066 / JE RK 26-189
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:257 BWArt. 12 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling minderjarige wegens zorgelijke thuissituatie en hulpverlening

Op 4 februari 2026 heeft de kinderrechter van de Rechtbank Den Haag een voorlopige ondertoezichtstelling uitgesproken voor een minderjarige geboren in 2018. De ondertoezichtstelling geldt voor de duur van drie maanden en is ingesteld op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming regio Haaglanden.

De ouders van de minderjarige hebben gezamenlijk het ouderlijk gezag, maar zijn niet in staat constructief te overleggen over de zorg en hulpverlening voor hun kind. De moeder heeft aangifte gedaan van seksueel misbruik door de vader, maar de strafzaak is geseponeerd; de moeder is tegen deze beslissing in beroep gegaan. Hierdoor is het contact tussen vader en kind beperkt tot videobellen, en heeft de minderjarige haar vader bijna twee jaar niet fysiek gezien.

De kinderrechter acht het noodzakelijk dat een jeugdbeschermer wordt ingezet om passende hulpverlening te organiseren en de communicatie tussen ouders te verbeteren. De voorlopige ondertoezichtstelling is bedoeld om een acute en ernstige bedreiging voor het welzijn van de minderjarige weg te nemen en de juiste hulpverlening op gang te brengen.

De beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door kinderrechter C. de Jong-Kwestro, en is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De kinderrechter wijst het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling toe voor drie maanden om acute bedreiging weg te nemen en hulpverlening te organiseren.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/699066 / JE RK 26-189
Datum uitspraak: 4 februari 2026

Beschikking van de kinderrechter

Voorlopige ondertoezichtstelling

in de zaak naar aanleiding van het op 4 februari 2026 mondeling gedane verzoek door en bevestigd bij het op 5 februari 2026 ingekomen verzoekschrift van:

de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,hierna te noemen: de Raad,

betreffende:

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.S.M. Ruijgrok te Amsterdam,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. van Amsterdam te Leiden.
De kinderrechter merkt als informant aan:

Jeugdbescherming regio Amsterdam,hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Het procesverloop

Op 4 februari 2026 heeft op de zitting van deze rechtbank een gecombineerde behandeling plaatsgevonden van de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling, informatieregeling en doorverwijzing naar Ouderschap Blijft, ingeschreven onder zaak- en rekestnummer C/09/683530 / FA RK 25-2779, en het kort geding, waarin, onder andere, de moeder heeft gevorderd tot het verlenen van vervangende toestemming om de speltherapie van [minderjarige] bij mevrouw [naam 1] te hervatten en de vader heeft gevorderd tot het vastleggen van een zorgregeling met [minderjarige] , ingeschreven onder zaak- en rekestnummer C/09/695833 / KG ZA 25-1209. De Raad heeft op de zitting mondeling verzocht om [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen.
Het mondelinge verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling is op 4 februari 2026 op de zitting met gesloten deuren behandeld. Bij de zitting waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder, bijgestaan door mr. J.C. van den End, waarnemend kantoorgenoot van haar advocaat;
- [naam 2] , namens de Raad.

Feiten

- De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- De vader heeft [minderjarige] erkend.
- De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over
[minderjarige] .
- [minderjarige] verblijft momenteel bij de moeder.

Verzoek

De Raad heeft verzocht om [minderjarige] voor de duur van drie maanden voorlopig onder toezicht te stellen, met toepassing van artikel 1:257 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
De vader en de moeder hebben ingestemd met het verzochte, althans hebben zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.

Beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat een ernstig vermoeden bestaat dat de grond voor een ondertoezichtstelling is vervuld (artikel 1:255 BW Pro). Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een acute en ernstige bedreiging voor [minderjarige] weg te nemen. [minderjarige] zal onder toezicht worden gesteld voor de duur van drie maanden (artikel 1:257 BW Pro). De kinderrechter overweegt daartoe als volgt.
Uit de overgelegde stukken en dat wat op de zitting is besproken, is gebleken dat de ouders momenteel niet in staat zijn om constructief met elkaar te overleggen over zaken die [minderjarige] betreffen. Ook heeft de moeder aangifte gedaan van seksueel misbruik van [minderjarige] door de vader. Inmiddels is gebleken dat de officier van justitie heeft besloten om de strafzaak tegen de vader te seponeren. De moeder heeft op de zitting aangegeven dat zij het niet eens is met de sepotbeslissing en zij een artikel 12 Sv Pro-procedure zal starten. De strafrechtelijke procedure tegen de vader is dus nog niet geëindigd. Het voorgaande heeft ertoe geleid dat er nu uitsluitend videobelmomenten zijn tussen de vader en [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar vader al bijna twee jaar niet meer fysiek gezien. De ouders zijn het beiden wel eens dat er hulp nodig is voor [minderjarige] , maar de ouders kunnen het niet eens worden over welke hulpverlening moet worden ingezet. De nodige hulp komt hierdoor niet op gang. De inzet van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om te kijken welke hulpverlening nodig is en om ervoor te zorgen dat deze van de grond komt.
Net als de Raad vindt de kinderrechter de huidige situatie zorgelijk voor [minderjarige] . [minderjarige] lijkt klem te zitten tussen de ouders. De kinderrechter acht het van belang dat onder regie van een jeugdbeschermer de juiste hulp voor [minderjarige] en de ouders wordt ingezet. Een jeugdbeschermer kan de ouders ook helpen om de noodzakelijke beslissingen te nemen in het kader van het contact tussen de vader en [minderjarige] en de wijze waarop dat wordt vormgegeven. De aangedragen omstandigheden leiden tot het oordeel dat een voorlopige ondertoezichtstelling voor de duur van drie maanden passend en geboden is. De kinderrechter zal het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling toewijzen zoals verzocht.
Daarom zal als volgt worden beslist.

Beslissing

De kinderrechter:
stelt [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2018 te [geboorteplaats] , van 4 februari 2026 tot 4 mei 2026 voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming regio Amsterdam;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026 door mr. C. de Jong-Kwestro, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier.