ECLI:NL:RBDHA:2026:4630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/677969 / FA RK 24-9328
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek eenhoofdig gezag en vaststelling zorgregeling tussen ouders

De moeder en vader zijn gezamenlijk gezagdragers over hun minderjarige kind, met het kind woonachtig bij de moeder. De moeder verzocht om eenhoofdig gezag vanwege de psychische problemen van de vader in 2024, die volgens haar het gezamenlijk gezag bemoeilijkten. Zij wilde ook een zorgregeling vastgelegd zien waarbij de vader omgang met het kind heeft op vaste dagen en vakanties.

De vader betwistte dat het gezamenlijk gezag beëindigd moet worden en stelde dat hij sinds zijn opname stabiel is en dat de communicatie tussen ouders voldoende is. Hij voerde aan dat hij betrokken is bij het kind en dat de moeder meerdere reizen met het kind zonder bezwaar heeft gemaakt.

De rechtbank oordeelde dat het uitgangspunt van gezamenlijk gezag geldt en dat beëindiging een vergaande maatregel is. Er was geen onaanvaardbaar risico dat het kind klem zou raken tussen ouders en geen noodzaak tot wijziging van het gezag. De communicatieproblemen waren onvoldoende reden voor eenhoofdig gezag. Het verzoek van de moeder werd daarom afgewezen.

De rechtbank stelde de zorgregeling vast zoals door de ouders uitgevoerd, met vaste ophaal- en terugbrengmomenten en omgangsregelingen in vakanties. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek tot eenhoofdig gezag afgewezen; zorgregeling vastgesteld met omgangsafspraken voor de vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-9328
Zaaknummer: C/09/677969
Datum beschikking: 5 februari 2026

Gezag en zorg- c.q. omgangsregeling

Beschikking op het op 20 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Bhulai in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een voor de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.E. Hoogenraad in Maassluis.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift met een zelfstandig verzoek.
Op 8 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

  • De moeder en de vader hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2019 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige] ).
  • De vader heeft [minderjarige] erkend.
  • [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
  • Blijkens een aantekening in het gezagsregister van 16 september 2019 zijn de ouders gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2022 zijn de door partijen getroffen onderlinge regelingen uit het ouderschapsplan opgenomen. In het ouderschapsplan is – voor zover hier van belang – vastgelegd dat:
  • de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen;
  • [minderjarige] haar hoofdverblijfplaats heeft bij de moeder;
  • er sprake zal zijn van een zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt – met wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2022 – :
  • de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen;
  • de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens.
De vader voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Hierbij verzoekt hij zelfstandig:
- een zorgregeling vast te stellen tussen hem en [minderjarige] , inhoudende dat:
  • de vader [minderjarige] elke woensdag ophaalt uit school en haar op donderdag weer naar school toebrengt;
  • de vader [minderjarige] om de week op zaterdagochtend om 8.30 uur ophaalt, waarna hij haar meeneemt naar paardrijden en haar op maandag weer naar school toebrengt;
  • de reguliere regeling loopt door in de vakanties, behalve in de zomervakantie, dan verblijft [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij de vader, en in de kerstvakantie verblijft [minderjarige] een week bij de vader;
  • althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
  • met veroordeling van de moeder in de proceskosten.

Beoordeling

Wijziging gezag
Op grond van artikel 1:253n tweede lid BW in samenhang met artikel 1:251a eerste en derde lid BW kan het gezamenlijk gezag worden beëindigd indien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van een eerdere beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Gelet op de overeenkomstige toepassing van artikel 1:251a eerste en derde lid BW dient in dat geval beoordeeld te worden of a) er een onaanvaardbaar risico is dat de kinderen klem of verloren zouden raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of b) een wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Standpunt moeder
De moeder stelt dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij wordt belast met het eenhoofdig gezag. De vader is in 2024 tweemaal opgenomen geweest bij [instelling] wegens psychotische verschijnselen. Als dat bij de vader speelt, is hij niet in staat om de belangen van [minderjarige] te behartigen en samen met de moeder beslissingen ten aanzien va [minderjarige] te nemen. Ten tijde van de opname van de vader ondervond de moeder bijvoorbeeld problemen bij het verkrijgen van zijn toestemming voor reizen met [minderjarige] . De moeder acht het van groot belang dat zij, in het geval van een terugval van de vader, zelfstandig (urgente) beslissingen kan nemen die [minderjarige] betreffen. Om die reden stelt zij voor om in de beschikking een clausule op te nemen waarin is vastgelegd dat de moeder in een dergelijk geval bevoegd is beslissingen te nemen ten aanzien van [minderjarige] alsof zij met het eenhoofdig gezag is belast.
Standpunt vader
De vader is van mening dat niet is voldaan aan de criteria voor beëindiging van het gezamenlijk gezag. De ouders zijn in staat met elkaar te communiceren en gezamenlijk beslissingen te nemen over [minderjarige] . Dit blijkt onder andere uit het feit dat de ouders in onderling overleg tot de huidige zorgregeling zijn gekomen. De vader is betrokken bij het leven van [minderjarige] en er is sprake van een vrij uitgebreide zorgregeling, waardoor hij in staat is om weloverwogen beslissingen ten aanzien van haar te nemen. Daarnaast betwist de vader uitdrukkelijk dat hij niet in staat zou zijn geweest om zijn handtekening te zetten op de reisformulieren voor de vakantie van de moeder met [minderjarige] . Tijdens zijn opname in [instelling] is dit, met behulp van zijn behandelaren, weldegelijk gelukt. Ook in het afgelopen jaar is de moeder meerdere malen met [minderjarige] naar het buitenland gereisd, waarvoor de vader telkens zonder enig bezwaar het toestemmingsformulier heeft getekend. De vader voert bovendien aan dat er sinds zijn opname in 2024 geen psychoses zijn geweest. Voor het geval dat dit zich onverhoopt toch nogmaals zou voordoen, is het niet nodig een vangnet in de vorm van een clausule te creëren, omdat zaken betreffende [minderjarige] kunnen worden geregeld met ondersteuning van behandelaren van [instelling] , zoals dat eerder ook is gebeurd.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat het uitgangspunt van de wet is dat het gezag over een minderjarige gezamenlijk door de ouders wordt uitgeoefend. Beëindiging van het gezag van een ouder over diens kind is een vergaande maatregel.
Ter zitting is expliciet aan de moeder gevraagd of zich het afgelopen jaar nog problemen hebben voorgedaan met betrekking tot de uitvoering van het gezamenlijk gezag. De moeder heeft in antwoord daarop het voorbeeld aangedragen uit 2024 waarbij waarbij zij moeite had om toestemming te krijgen van de vader voor een reis naar het buitenland met [minderjarige] . Uiteindelijk is dit wel gelukt. De rechtbank begrijpt dat dit voor de moeder vervelend is, maar recent hebben zich geen problemen rond het gezamenlijk gezag voorgedaan. De rechtbank is van oordeel dat er tegen die achtergrond geen plaats is voor een vergaande maatregel als beëindiging van het gezamenlijk gezag. De rechtbank is voorts van oordeel dat er geen reden is om het eenhoofdig gezag voorwaardelijk aan de moeder toe te kennen in het geval van een terugval van de vader. De vader heeft onweersproken gesteld dat zijn gezondheidssituatie sinds 2024 stabiel is en dat hij dagelijks medicijnen neemt. Ook is gebleken dat zelfs in het geval dat de vader opgenomen is, het lukt om zaken voor [minderjarige] te regelen. Kortom, er is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onaanvaardbaar risico dat [minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders of dat wijziging van het gezag anderszins in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Ter zitting is gebleken dat de moeder met name moeite heeft met de wijze van communiceren door de vader, in die zin dat zij het lastig vindt dat de vader soms op het laatste moment dingen vraagt of gemaakte afspraken afzegt. De rechtbank begrijpt dat dit voor de moeder lastig kan zijn, zeker in combinatie met de zorg voor vier kinderen. Het kan voorkomen dat een afspraak tussen ouders een keer gewijzigd moet worden, bijvoorbeeld in het geval de minderjarige of een van de ouders door ziekte de afspraak ten aanzien van een omgangsmoment niet kan nakomen. De moeder mag in een dergelijke situatie van de vader verwachten dat hij in ieder geval tijdig aangeeft als gemaakte afspraken een wijziging behoeven zodat er nog een mogelijkheid is om daarover met elkaar in overleg te treden en de moeder niet voor een voldongen feit wordt gesteld. Maar ook op andere gebieden speelt dat de communicatie tussen partijen verbetering behoeft en dat zij elkaar tijdig zullen moeten informeren over zaken die over en weer belangrijk zijn, zoals rond de behandeling van de vader of als [minderjarige] een keer medicatie nodig heeft. Echter, deze communicatiekwestie is geen reden om het eenhoofdig gezag aan de moeder toe te kennen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de moeder afwijzen.
Zorgregeling
Op de zitting heeft de moeder haar verzoek om de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen, ingetrokken.
De vader heeft een zelfstandig verzoek ten aanzien van de zorgregeling gedaan. Momenteel geven de ouders uitvoering aan de door de vader verzochte regeling. Naar de rechtbank begrijpt, is het de intentie van beide ouders om deze regeling voort te zetten. De rechtbank zal deze regeling volledigheidshalve opnemen in het dictum van de beschikking.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek van de moeder om haar met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten af;
stelt een zorgregeling vast tussen de vader en [minderjarige] , inhoudende dat:
  • de vader [minderjarige] elke woensdag ophaalt uit school en haar op donderdag weer naar school toebrengt;
  • de vader [minderjarige] om de week op zaterdagochtend om 8.30 uur ophaalt, waarna hij haar meeneemt naar paardrijden en haar op maandag weer naar school toebrengt;
  • de reguliere regeling loopt door in de vakanties, behalve in de zomervakantie, dan verblijft [minderjarige] drie aaneengesloten weken bij de vader, en in de kerstvakantie verblijft [minderjarige] een week bij de vader;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, kinderrechter, bijgestaan door mr. S.A.L. Niemantsverdriet als griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 5 februari 2026.