ECLI:NL:RBDHA:2026:465

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.44400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van Libanese eiser met betrekking tot vervolging bij terugkeer naar Libië

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 13 januari 2026, wordt de afwijzing van de asielaanvraag van een Libanese eiser behandeld. De eiser heeft op 15 september 2025 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister van Asiel en Migratie op 18 augustus 2025 als ongegrond is afgewezen. De rechtbank heeft op 22 december 2025 de zaak behandeld, waarbij de gemachtigde van de minister aanwezig was. De eiser stelt dat hij bij terugkeer naar Libië vreest voor vervolging door de Haftar-militie, vanwege zijn betrokkenheid bij een pro-revolutionaire stam en eerdere ontvoering in 2015. De rechtbank oordeelt echter dat de eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade, zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De rechtbank concludeert dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de asielaanvraag ongegrond is, omdat de eiser zijn vrees niet voldoende heeft kunnen individualiseren en er geen bewijs is dat hij persoonlijk gevaar loopt. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en het bestreden besluit blijft in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44400

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,geboren op [geboortedatum] ,van Libanese nationaliteit,V-nummer: [nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.A. Jeuring),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: L. Drenthe).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat eiser bij terugkeer naar Libië geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in
artikel 3 van het EVRM. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 15 september 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. De rechtbank heeft het onderzoek op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Libië. De stam waar eiser toe behoort, is betrokken geweest bij een revolutie en daarom vreest eiser bij terugkeer opgepakt en vermoord te worden door de Haftar-militie. Eiser is namelijk in 2015 ontvoerd door een groepering die zich later heeft aangesloten bij de Haftar-militie. Verder is er volgens eiser een reële kans dat deze militie Tripoli gaat innemen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende motief:
1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.
De minister vindt het asielmotief geloofwaardig, maar vindt dat eiser bij terugkeer naar Libië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk het risico loopt opgepakt en vermoord te worden door de Haftar-militie. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat zijn politieke overtuiging reden was voor zijn ontvoering in 2015. Verder is eisers vrees dat de Haftar-troepen Tripoli gaan binnenvallen gebaseerd op een mogelijke situatie. Dat de situatie daar op dit moment onzeker is, betekent volgens de minister niet dat aannemelijk is geworden dat eiser persoonlijk gevaar loopt.
4.1.
Ter zitting heeft de minister toegelicht waarom het asielrelaas uit één motief bestaat. Door eiser is naar voren gebracht dat zijn ontvoering direct verband houdt met zijn stamafkomst. De minister heeft eisers vrees voor de Haftar-militie daarom onder herkomst geplaatst. De minister wijst hierbij op pagina 2 en 3 van het voornemen. De rechtbank stelt verder vast dat eiser geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het door de minister vastgestelde asielmotief.
Wat vindt eiser?
5. Eiser voert aan dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij geen gegronde vrees heeft te worden opgepakt en vermoord door de Haftar militie. Eiser wijst op zijn politieke overtuiging als lid van een pro-revolutionaire stam, de [stam] . Sinds de revolutie van 2011 staat zijn familie bekend als ontheemd. De Shuhada Azzawiyah Brigade heeft eiser in 2015 ontvoerd en het familiehuis verwoest. Zij hebben zich later aangesloten bij de Haftar-militie. Dit toont volgens eiser een direct verband aan tussen de stam waartoe eiser behoort en de ontvoering. Verder is eisers vrees ook gebaseerd op de voortdurende dreiging van de Haftar-troepen om Tripoli aan te vallen. De actuele militaire voorbereidingen van Haftar blijken uit internationale ontwikkelingen, waaronder EU-sancties tegen Haftar-gelieerde milities. [1] Verder wordt eiser als individu geïdentificeerd en bedreigd. Dit blijkt uit de marteling in 2024 door Al Quwat Al Rade vanwege eisers afkomst uit Benghazi en zijn oostelijk accent. Tot slot voert eiser aan bij terugkeer gevaar te lopen
omdat hij de smokkelaars die hem hebben geholpen te vluchten, nog geld moet betalen. Nu zij contact hebben opgenomen met zijn familie, loopt niet alleen eiser gevaar maar ook zijn familieleden. In Libië is verder geen autoriteit die eiser bescherming kan bieden. Eiser stelt dat hij gelet op wat hij heeft aangevoerd als vluchteling moet worden aangemerkt en een verblijfsvergunning moet krijgen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet.
Oordeel van de rechtbank
6. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser zijn vrees verder had moeten individualiseren, maar dit niet heeft gedaan. Zo zou de marteling door Al Quwat Al Rade voor eiser de aanleiding geweest zijn om te vluchten. Desondanks verklaart hij bij terugkeer niet te vrezen voor deze groepering. Wel zegt eiser te vrezen voor de Haftar-militie, omdat hij ontvoerd is vanwege zijn politieke overtuiging. Er zijn echter geen aanwijzingen dat eiser bij de Haftar-militie bekend is of door hen gezocht wordt. Eiser heeft zelf verklaard dat hij geen rol had bij de revolutie omdat hij daarvoor te jong was. Toen de ontvoerders bij zijn huis kwamen, kwamen ze niet voor hem maar voor zijn neven. Verder heeft de minister terecht overwogen dat eiser zijn vrees voor een eventuele inval van de Haftar-troepen in Tripoli alleen gebaseerd is op een mogelijk toekomstscenario. Eiser heeft bovendien zelf verklaard dat zijn familie op dit moment geen problemen ervaart in Tripoli. Dat de Haftar-troepen Tripoli zouden aanvallen heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt met de door hem overgelegde stukken. Ook heeft de minister terecht niet aannemelijk gevonden dat eiser bij terugkeer gevaar loopt vanwege een openstaande schuld bij de smokkelaar. Eiser heeft gezegd dat de smokkelaar contact heeft opgenomen met zijn familie, maar dit verder niet onderbouwd. Het is niet duidelijk geworden wanneer en door wie er contact zou zijn opgenomen en wat er is gezegd. Gelet op het voorgaande heeft de minister eiser terecht niet als vluchteling aangemerkt.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van
mr.M. Veenstra, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Besluit (GBVB) 2021/481 en Besluit (GBVB) 2022/2376.