ECLI:NL:RBDHA:2026:4653

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 februari 2026
Publicatiedatum
8 maart 2026
Zaaknummer
C/09/698311 / FA RK 26-714
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 25 lid 1 WzdArt. 1a.1 Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliëntenArt. 3.2.3 Wet langdurige zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf wegens ziekte van Huntington

Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) verzocht de rechtbank om een machtiging tot opname en verblijf van cliënt, geboren in 1968, die lijdt aan de ziekte van Huntington. De advocaat van cliënt betwistte of deze ziekte gelijkgesteld kan worden aan een psychogeriatrische aandoening zoals bedoeld in het Besluit zorg en dwang. De rechtbank hield een mondelinge behandeling waarbij cliënt niet aanwezig wilde zijn.

De specialist ouderengeneeskunde stelde dat ondanks het ontbreken van een genetische test, de symptomen en familiegeschiedenis duidelijk wijzen op de ziekte van Huntington. Cliënt vertoont gedragsproblemen, cognitieve beperkingen, valgevaar, zorgvermijding en ernstige vermagering. De thuissituatie was kwetsbaar en leidde tot verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang.

De rechtbank oordeelde dat de ziekte van Huntington bij cliënt zich uit als een neurocognitieve stoornis met significante beperkingen, gelijk aan een psychogeriatrische aandoening. Er is sprake van ernstig nadeel, waaronder lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Opname en verblijf in een zorgaccommodatie zijn noodzakelijk en er zijn geen minder ingrijpende alternatieven.

Cliënt verzet zich tegen opname, maar dit verzet kan niet verhinderen dat de machtiging wordt verleend. De rechtbank verleent de machtiging voor zes maanden, geldig tot 5 augustus 2026. De aanvraag is rechtsgeldig ingediend door een zorgadviseur namens de zorgaanbieder.

Uitkomst: De rechtbank verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden wegens ernstig nadeel door de ziekte van Huntington.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/698311 / FA RK 26-714
Datum beschikking: 5 februari 2026

Rechterlijke machtiging tot opname en verblijf

Beschikkingnaar aanleiding van het door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
[cliënt] ,
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
thans verblijvende in de accommodatie [accommodatie] , te [plaats] ,
advocaat: mr. R. Moghni te Rotterdam.

Procesverloop

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 26 januari 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- een indicatiebesluit op grond van artikel 3.2.3 van de Wet langdurige zorg van 24 december 2025;
- een aanvraag voor een medische verklaring van 6 januari 2026;
- een op 14 januari 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1] , die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was;
- een zorgplan van 20 januari 2026;
- een aanvraag voor een rechterlijke machtiging aan het CIZ van 22 januari 2026.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 5 februari 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- de advocaat;
- de specialist ouderengeneeskunde, [naam 2] .
Omdat cliënt niet naar de zittingslocatie wilde komen, heeft de rechtbank haar bezocht op haar kamer en haar daar uitdrukkelijk gevraagd of zij aanwezig wilde zijn bij de mondelinge behandeling. Cliënt gaf aan dat zij niet aanwezig wilde zijn en liep vervolgens weg. De rechtbank heeft zodoende vastgesteld dat cliënt niet gehoord wenste te worden en heeft de zitting voortgezet buiten aanwezigheid van cliënt.

Standpunten ter zitting

De advocaat heeft gepleit voor een afwijzing van het verzoek. Uit de medische verklaring blijkt volgens de advocaat onvoldoende dat de ziekte van Huntington en de daaruit voortvloeiende beperkingen zich bij cliënt uiten als een neurocognitieve stoornis, alsmede dat deze beperkingen van cliënt op grond van het ‘Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten’ met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap kunnen worden gelijkgesteld.
Hetgeen door de specialist ouderengeneeskunde ter zitting naar voren is gebracht, is voor de advocaat onvoldoende om de ziekte van Huntington aan te merken als een psychogeriatrische aandoening zoals bedoeld in de Wzd. Daarnaast is onvoldoende onderbouwd dat er sprake is van verzet. Cliënt geeft wel aan dat zij weg wil, maar zij realiseert zich deze wens niet. Ten slotte stelt de advocaat dat onduidelijk is of de aanvraag voor een rechterlijke machtiging door de juiste persoon is gedaan. De aanvraag is ondertekend door de heer [naam 3] , maar niet duidelijk is of hij een vertegenwoordiger, familielid, zorgaanbieder of Wzd-functionaris is.
De specialist ouderengeneeskunde heeft ter zitting naar voren gebracht dat de diagnose niet middels een genetische test is vastgesteld. De ziekte komt echter voor in de familie en er zijn duidelijke symptomen zichtbaar die passen bij de ziekte van Huntington. Deze symptomen bestaan uit het ontbreken van ziektebesef en -inzicht, valgevaar door de manier van bewegen, ernstige vermagering, zorgvermijdend gedrag en achterdocht richting de zorgverleners. Daarnaast was er is de thuissituatie sprake van verwaarlozing en het niet kunnen structureren van het huishouden en haar afspraken. De thuissituatie van cliënt is ook kwetsbaar omdat het huis niet van haar is, maar van haar ex-partner. Zij betaalt geen huur en heeft verder geen inkomen. Het is van belang dat cliënt de juiste zorg krijgt om ernstig nadeel te voorkomen. De kans dat cliënt haar spullen pakt en vertrekt is groot. Zij appt dagelijks haar zoon en zodra de antibioticakuur is afgerond, wil zij gaan. Cliënt ontkent in het geheel de situatie, maar kan deze ook niet langer overzien door de cognitieve beperkingen. Er is geen psychiatrische problematiek die op de voorgrond staat en in de huidige accommodatie kan cliënt de zorg krijgen die zij nodig heeft. De specialist ouderengeneeskundige heeft ten slotte opgemerkt dat de heer [naam 3] werkzaam is voor de zorgaanbieder.

Beoordeling

Formele beoordeling
Op 23 december 2025 is door de rechtbank een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling verleend tot en met 3 februari 2026.
De volgende personen kunnen op grond van artikel 25 lid 1 Wzd Pro het CIZ vragen een verzoek om een rechterlijke machtiging in te dienen:
a. de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel;
b. de vertegenwoordiger;
c. elke meerderjarige bloedverwant in de rechte lijn of de zijlijn tot en met de tweede graad en elke meerderjarige aanverwant tot en met de tweede graad;
d. de zorgaanbieder die de cliënt feitelijk zorg verleent, of
e. de Wzd-functionaris.
Het formulier ‘CIZ overzicht aanvraag’ is op 22 januari 2026 ondertekend door [naam 3] , zorgadviseur van [accommodatie] en aanvrager van de rechterlijke machtiging. Gebleken is dat de volledige naam van de zorgaanbieder, in het verzoekschrift genoemd [accommodatie] , [accommodatie] is. De rechtbank stelt daarmee vast dat de aanvraag om een rechterlijke machtiging rechtsgeldig door de zorgadviseur namens de zorgaanbieder is ingediend.
Inhoudelijke beoordeling
Uit artikel 1a.1 van het Besluit zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten blijkt dat onder meer de ziekte van Huntington met een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap kan worden gelijkgesteld, indien dit syndroom bij de cliënt zich uit als een neurocognitieve stoornis met daaruit voortkomende significante beperkingen overeenkomstig die van een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap. Of hiervan sprake is blijkt uit een verklaring van een ter zake kundige arts dan wel uit een indicatiebesluit als bedoeld in de Wet langdurige zorg.
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat cliënt lijdt aan de ziekte van Huntington. De rechtbank is van oordeel dat uit de - hoewel summiere – bevindingen van de onafhankelijk ter zake kundige arts in de medische verklaring tezamen met de aanvulling van de specialist ouderengeneeskunde op de zitting voldoende is komen vast te staan dat de ziekte van Huntington bij cliënt ondertussen tot dezelfde gedragsproblemen en regieverlies leidt als bij een psychogeriatrische aandoening. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat cliënt door de cognitieve problematiek niet langer in staat is haar situatie te overzien. Tegelijkertijd is er sprake van valgevaar door haar manier van bewegen, ernstige vermagering, zorgmijding en achterdocht richting de hulpverlening, waarbij zij elke vorm van hulp weigert. Ook is gebleken dat cliënt in de thuissituatie zichzelf ernstig verwaarloosde en niet langer in staat was voldoende overzicht te houden op het huishouden en gemaakte afspraken. De rechtbank heeft ook zelf tijdens de zitting enkele van de voornoemde symptomen waargenomen.
De gelijkgestelde aandoening leidt tot ernstig nadeel. Dit ernstig nadeel bestaat uit:
– ernstig lichamelijk letsel;
– ernstige verwaarlozing;
– maatschappelijke teloorgang;
Cliënt is niet meer in staat om goed voor zichzelf te zorgen. In de thuissituatie was de persoonlijke hygiëne onvoldoende en nam zij onvoldoende vocht en voeding tot zich. Tevens was er sprake van vervuiling. Cliënt heeft niet veel contacten meer. Zij heeft het contact met veel mensen verbroken omdat zij begonnen over de ziekte van Huntington. Er is een reëel risico op maatschappelijke teloorgang, zelfverwaarlozing en ernstig lichamelijk letsel. Er is sprake van gedragsproblematiek en regieverlies, overeenkomstig de beperkingen van een psychogeriatrische aandoening of een verstandelijke handicap.
De opname en het verblijf in een accommodatie zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Er zijn geen minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden.
Gebleken is dat cliënt zich verzet tegen de opname en het verblijf in een accommodatie. Cliënt geeft duidelijk aan dat zij niet opgenomen wil zijn. Zij ontkent de diagnose en weigert de hulp van anderen.
Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor verlening van een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie als bedoeld in de Wzd. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes maanden.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een rechterlijke machtiging tot opname en verblijf in een accommodatie ten aanzien van:
[cliënt] ,
geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 5 augustus 2026.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.J.M. Bellekom, rechter, bijgestaan door S.N. Maas als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 5 februari 2026.
De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 18 februari 2026.
Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.