ECLI:NL:RBDHA:2026:4670

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/09/676902 / FA RK 24-8791
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • R.S. Matthijssen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning eenhoofdig gezag aan moeder wegens voorgenomen emigratie

De moeder verzoekt de rechtbank om het gezamenlijk gezag over haar minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te kennen. Dit verzoek is gebaseerd op gewijzigde omstandigheden, namelijk de voorgenomen emigratie van de moeder en het kind naar het buitenland. De vader voert geen verweer en stemt in met het verzoek.

De rechtbank constateert dat de ouders gezamenlijk hebben besproken en instemmen met de emigratie en dat zij van mening zijn dat dit in het belang van het kind is. Tevens is gebleken dat de moeder eenhoofdig gezag nodig heeft vanwege wettelijke vereisten in het emigratieland en praktische uitvoerbaarheid van afspraken. De ouders hebben ook afspraken gemaakt over de betrokkenheid van de vader bij het kind na emigratie.

Gezien de constructieve communicatie tussen de ouders en het belang van het kind acht de rechtbank het noodzakelijk het gezamenlijk gezag te beëindigen en de moeder het eenhoofdig gezag toe te kennen. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en uitgesproken op 6 februari 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek toe en kent de moeder eenhoofdig gezag toe over het minderjarige kind vanwege voorgenomen emigratie.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8791
Zaaknummer: C/09/676902
Datum beschikking: 6 februari 2026

Gezag

Beschikking op het op 9 december 2024 ingekomen verzoek van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Polat te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.

Procedure

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Op 9 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.

Verzoek en verweer

Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat voortaan alleen aan de moeder het gezag over [minderjarige] toekomt.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2014 tot [datum 2] 2020.
- In de beschikking van deze rechtbank van 2 maart 2020 is de echtscheiding uitgesproken en het ouderschapsplan in de beschikking opgenomen.
- Partijen zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats 1].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Beoordeling

De moeder verzoekt om haar voortaan met eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. De vader stemt in met dit verzoek. De ouders zijn het erover eens dat het vanwege de geplande emigratie van de moeder en [minderjarige] naar [land] in het belang van [minderjarige] is dat de moeder met het eenhoofdig gezag over haar wordt belast.
Omdat beëindiging van het gezamenlijk gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, zal de rechtbank beoordelen of eenhoofdig gezag door de moeder in dit geval in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder is namelijk van plan om samen met [minderjarige] te emigreren naar [land]. Zij is dus ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van het gezag over [minderjarige] anderszins in haar belang noodzakelijk is.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, blijkt dat de ouders de voorgenomen emigratie naar [land] uitgebreid met elkaar hebben besproken en dat zij daar beiden volledig achter staan. Beide ouders hebben op de zitting aangegeven dat zij vinden dat de verhuizing in het belang van [minderjarige] is, omdat zij verwachten dat [minderjarige] in [land] een betere toekomst zal hebben dan in Nederland. Ook hebben beide ouders verklaard dat zij het in het belang van [minderjarige] achten dat de moeder wordt belast met eenhoofdig gezag, omdat zij bang zijn dat de in Nederland gemaakte afspraken over hoe zij beslissingen over [minderjarige] nemen in [land] niet worden erkend of dat de afspraken praktisch niet uitvoerbaar zijn in verband met de afstand en het tijdsverschil.. Ook heeft de moeder aangegeven dat de [landelijke] autoriteiten eenhoofdig gezag als voorwaarde stellen voor een verblijfsvergunning in het geval dat slechts een van de ouders met het kind in [land] komt wonen. . De ouders hebben ook al concreet nagedacht over de manier waarop de vader betrokken zal blijven in het leven van [minderjarige]. Gelet op de wijze waarop de ouders de afgelopen jaren gezamenlijk invulling hebben gegeven aan de zorg voor [minderjarige] en op de constructieve wijze waarop zij na het verbreken van hun partnerschapsrelatie als ouders zijn blijven communiceren over [minderjarige] , heeft de rechtbank er alle vertrouwen in dat de vader betrokken zal blijven in het leven van [minderjarige].
Onder deze omstandigheden meent de rechtbank met de ouders dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en dat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.

BeslissingDe rechtbank

bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats 2], [geboorteland], het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats 1],
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.S. Matthijssen, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.J.W. Straatsma als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2026.