ECLI:NL:RBDHA:2026:4674

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
C/09/677369 / FA RK 24-8995
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253n BWArt. 1:251a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing eenhoofdig gezag aan moeder en ontzegging omgangsrecht vader wegens afwezigheid en ziekte kind

De moeder verzoekt de rechtbank het gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind te beëindigen en haar het eenhoofdig gezag toe te wijzen, alsmede de vader het recht op omgang met het kind te ontzeggen. De vader is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.

De rechtbank constateert dat de vader de afgelopen twee jaar vrijwel onbereikbaar is geweest en zijn omgangsverplichtingen niet is nagekomen. Dit heeft geleid tot meerdere procedures waarbij de moeder vervangende toestemming moest vragen. De vader was nauwelijks betrokken, ook niet tijdens de diagnose en het intensieve behandeltraject van leukemie bij het kind.

Gezien de onbereikbaarheid en het gebrek aan betrokkenheid acht de rechtbank het in het belang van het kind dat de moeder voortaan het eenhoofdig gezag krijgt toegewezen. Daarnaast leidt de afwezigheid van de vader tot stress bij het kind en onrust bij de moeder, wat onwenselijk is gezien de ziekte van het kind. Daarom ontzegt de rechtbank de vader het recht op omgang, zonder termijn, met de mogelijkheid tot herziening na een jaar of bij gewijzigde omstandigheden.

Uitkomst: De moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen en de vader wordt het recht op omgang met het kind ontzegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-8995
Zaaknummer: C/09/677369
Datum beschikking: 6 februari 2026

Gezag en wijziging zorg- c.q. omgangsregeling

Beschikking op het op 17 december 2024 ingekomen verzoekschrift van:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. W.J. Vroegindeweij in Katwijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vader],

de vader,
volgens de Registratie Niet Ingezetenen (RNI) sinds 18 november 2024 in een onbekend land zonder bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, met bijlagen;
  • het bericht van 18 december 2024 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 21 januari 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 4 februari 2025 van de moeder, met bijlagen;
  • het bericht van 6 februari 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 16 juni 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 11 oktober 2025 van de moeder, met bijlage;
  • het bericht van 30 december 2025 van de moeder, met bijlage.
Op 9 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming.
De vader is – hoewel behoorlijk opgeroepen- niet verschenen.

Feiten

  • De moeder en de vader zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2020 tot [datum 2] 2022.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1].
  • [minderjarige] woont bij zijn moeder.
  • De moeder en de vader oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige].
  • Bij beschikking van 2 april 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier relevant- bepaald dat met wijziging van het aan de beschikking van 3 juni 2022 gehechte ouderschapsplan van 18 oktober 2021, [minderjarige] eenmaal in de twee weken op zondag van 10.00 uur tot 20.00 uur bij de vader zal zijn.

Verzoek en verweer

De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;
  • het gezamenlijke gezag van de ouders over [minderjarige] te beëindigen en te bepalen dat de moeder voortaan belast wordt met het eenhoofdig gezag over [minderjarige];
  • de vader het recht op omgang met [minderjarige] te ontzeggen.
De vader heeft geen verweer gevoerd.

Beoordeling

Eenhoofdig gezag
Juridisch kader
Omdat beëindiging van het gezamenlijk gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, zal de rechtbank beoordelen of het eenhoofdig gezag door de moeder in dit geval in het belang van [minderjarige] moet worden geacht.
Het wettelijk uitgangspunt is dat de ouders gezamenlijk het gezag over hun kind uitoefenen. Op grond van artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank het gezamenlijk gezag op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Op grond van het tweede lid van voornoemd artikel zijn de gronden van artikel 1:251a eerste en derde lid BW van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan dus worden beëindigd, indien:
a. a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Inhoudelijke beoordeling
Uit de stukken en wat op de zitting met de moeder en de Raad is besproken is gebleken dat de omstandigheden, ten opzichte van het moment waarop de ouders uit elkaar gingen, zijn gewijzigd. Uit hetgeen de moeder heeft aangevoerd ontstaat het beeld dat de vader de afgelopen twee jaar niet voor [minderjarige] beschikbaar was. De vader is vrijwel onbereikbaar voor de moeder als zij pogingen onderneemt om met de vader over [minderjarige] in contact te komen. Ondanks dat de rechtbank in de beschikking van 2 april 2024 nog expliciet heeft benadrukt dat de vader in het belang van [minderjarige] de zorgregeling moet nakomen, is daar op geen enkele manier naar gehandeld. De afwezigheid van de vader en het feit dat hij onbereikbaar is, heeft onder meer geleid tot verschillende procedures bij deze rechtbank waarbij de moeder vervangende toestemming moest verzoeken. Het meest schrijnend is nog wel dat de vader er niet voor [minderjarige] was toen afgelopen zomer leukemie bij [minderjarige] is vastgesteld. Uiteindelijk is de vader is na meerdere contactpogingen in augustus 2025 een paar keer langs geweest in het ziekenhuis bij [minderjarige]. Na deze bezoekmomenten hebben [minderjarige] en de moeder echter niets meer vernomen van de vader, ook niet als moeder updates stuurt over het behandelproces. Sinds de diagnose is [minderjarige] gestart met een intensief behandeltraject waarbij ook toestemming van vader in veel gevallen nodig is. Hoewel het de moeder is gelukt om zonder toestemming van de vader [minderjarige] te laten starten met de behandeling is dit met veel omwegen en met moeite gegaan. Dat is in de situatie waarin [minderjarige] op dit moment verkeert bijzonder onwenselijk. Het is in het belang van [minderjarige] dat er snel geschakeld kan worden indien dit nodig is. Omdat de vader op dit moment niet op de hoogte is van het behandelproces of andere belangrijke zaken in het leven van [minderjarige], acht de rechtbank de vader momenteel niet in staat om weloverwogen (medische) beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige].
Dit alles maakt dat de rechtbank het in het belang van [minderjarige] acht dat de moeder voortaan alleen gezagsgerelateerde beslissingen over hem kan nemen en zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.
Ontzegging omgang
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:377a BW heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vaststelt dan wel, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang ontzegt. Op grond van het derde lid van dit artikel ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaar of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
Inhoudelijke beoordeling
Zoals hiervoor is overwogen is de vader al geruime tijd niet of nauwelijks betrokken in het leven van [minderjarige], omgangsmomenten worden al lange niet nagekomen. Dit is voor [minderjarige] telkens een teleurstelling. [minderjarige] heeft vragen over het niet doorgaan van geplande omgangsmomenten en zoekt, zo heeft de moeder uitgelegd, de oorzaak hiervan bij zichzelf. De rechtbank acht het onwenselijk dat [minderjarige] hiermee wordt belast. Het is voor geen enkel kind goed als omgangsmomenten met een vader tot stress leiden maar in het geval van [minderjarige] is dat nog ernstiger vanwege zijn ziekte. Ook de moeder ervaart onrust door de afwezigheid van vader. Naast het feit dat de moeder niet gezamenlijk met de vader in overleg kan treden in deze turbulente tijd, geeft het idee dat de vader momenteel te pas en te onpas nakoming kan vorderen van de vastgelegde omgangsregeling de moeder onrust.
De focus van [minderjarige] en de moeder moet liggen op het herstel- en het behandelproces van [minderjarige] en niet op het wel of niet doorgaan van een omgangsmoment met de vader. Rust en duidelijkheid zijn voor [minderjarige] belangrijk zodat alle aandacht en energie besteed kan worden aan het weer beter worden. Hoewel het in veel gevallen in het belang van een kind is om contact te hebben met beide ouders is het in dit geval zo dat rust en duidelijkheid voor [minderjarige] en de moeder momenteel belangrijker dan een omgangsregeling die vooral tot onrust leidt. Daar komt nog bij dat zijn ziekte maakt dat [minderjarige] afhankelijk is van medicijnen die volgens een gecompliceerd schema heel stipt moeten worden ingenomen. Dat vraagt dus heel veel van de persoon die verantwoordelijk is voor de verzorging van [minderjarige]. De rechtbank acht het nauwelijks voorstelbaar dat vader op dit moment de verzorging kan bieden die [minderjarige] nodig heeft.
In het licht van het bovenstaande ziet de rechtbank aanleiding om de vader het recht op omgang te ontzeggen. Het verzoek van de moeder zal daarom worden toegewezen.
De rechtbank verbindt geen termijnen aan de ontzegging. Een ontzegging van het recht op omgang tussen ouder en kind heeft namelijk blijkens vaste jurisprudentie een in tijd beperkt karakter. In ieder geval kan na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een (nieuw) verzoek tot vaststelling van de omgang worden ingediend (zie HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045).

BeslissingDe rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank d.d. 2 april 2024 –:

*
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder] geboren op [geboortedatum 2] 1999 in [geboorteplaats 2], het eenhoofdig gezag toekomt over de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021 in [geboorteplaats 1];
*
ontzegt de vader het recht op omgang met [minderjarige];
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. de Klerk, (kinder)rechter, bijgestaan door T.D. Somer als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 6 februari 2026.