ECLI:NL:RBDHA:2026:471

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
NL25.51776 en uNL25.51781
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 EU-HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 12 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvragen op grond van Dublinverordening

Eisers, met de Sri Lankaanse nationaliteit, dienden op 4 juni 2025 asielaanvragen in Nederland in. De minister nam deze niet in behandeling omdat Zweden op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland vroeg op 6 augustus 2025 overdracht aan Zweden, die dit op 11 augustus 2025 aanvaardde.

Eisers voerden aan dat de minister onzorgvuldig handelde en dat de overgelegde documenten onjuist werden geïnterpreteerd. De rechtbank oordeelde dat de minister onjuistheden in de datum van geldigheid van Zweedse verblijfskaarten niet tot een onterechte conclusie leidden. Eisers stelden ook dat de overdracht aan Zweden in strijd is met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest vanwege tekortkomingen in de Zweedse asielprocedure en opvang. De rechtbank vond dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en dat eisers onvoldoende aannemelijk maakten dat Zweden zijn verplichtingen niet nakomt.

Verder betoogden eisers dat de minister onvoldoende gemotiveerd had waarom hij geen discretionaire bevoegdheid gebruikte om hun aanvragen toch te behandelen, gezien hun psychische problemen. De rechtbank stelde vast dat de minister de medische omstandigheden had meegewogen en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige en onomkeerbare gezondheidsrisico's bij overdracht. Ook was geen sprake van actieve medische behandeling die een BMA-advies zou rechtvaardigen.

De rechtbank concludeerde dat de minister terecht de asielaanvragen niet in behandeling nam en de overdracht aan Zweden handhaafde. Het beroep werd ongegrond verklaard en eisers kregen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van hun asielaanvragen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot overdracht aan Zweden blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.51776 en NL25.51781

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 januari 2026 in de zaken tussen

[eiser], v-nummers [nummer 1], eiser

en
[eiseres], v-nummers: [nummer 2], eiseres
hierna samen: eisers
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet in behandeling nemen van de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 oktober 2025 niet in behandeling genomen, omdat Zweden verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen van eisers. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eisers hebben aangevoerd.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen en het niet in behandeling nemen van hun aanvragen in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. Eisers hebben de Sri Lankaanse nationaliteit. Zij zijn op 1 juni 2025 Nederland ingereisd. Op 4 juni 2025 hebben eisers hun asielaanvragen in Nederland ingediend. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland op 6 augustus 2025 bij Zweden een verzoek om overname gedaan op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening. Zweden heeft dit verzoek op 11 augustus 2025 aanvaard.
Heeft de minister het bestreden besluit zorgvuldig voorbereid?
5. Eisers voeren aan dat de minister het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. De minister heeft ten onrechte een onjuiste overweging gemaakt ten aanzien van de overgelegde documenten. Er is namelijk geen sprake van een Zweedse identiteitskaart van eisers, maar van een kopie van hun Zweedse verblijfskaarten die geldig zijn tot en met 1 september 2025. Eisers hebben een aparte identiteitskaart overgelegd.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eisers hebben Zweedse studentenkaarten overgelegd, geldig van 20 juni 2024 tot 1 september 2025. Eisers hebben ook een Zweedse
identitetskortovergelegd, geldig van 9 oktober 2024 tot 8 oktober 2029. Dat op de studentenkaarten van eisers vermeld staat
card expiry: 1 september 2025betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat dat met zich brengt dat de verblijfsrechten van eisers eindigen op 1 september 2025. Op de
identitetskortstaat immers dat deze geldig is tot 8 oktober 2029. Niet is gebleken uit de overgelegde stukken dat de verblijfsrechten van eisers in Zweden beëindigd zijn. De minister heeft in het bestreden besluit geschreven dat de Zweedse identiteitskaart geldig is tot 1 september 2025. Dit is dus onjuist, maar dat heeft niet ten gevolge dat de conclusie die de minister daaraan verbindt niet terecht is. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister ten aanzien van Zweden kunnen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eisers betogen dat een overdracht aan Zweden in strijd is met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het EU Handvest. Hiertoe voeren zij aan dat er sprake is van aan de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Zweden gerelateerde tekortkomingen. Eisers voeren ook aan dat de minister onvoldoende gemotiveerd heeft dat zij zich bij voorkomende problemen tot de hogere autoriteiten in Zweden kunnen wenden. Eisers hebben eerder namelijk in angst geleefd en voelden zich vanwege de ondervonden discriminatie niet vrij en veilig om dergelijke stappen te ondernemen. Verder voeren eisers aan dat de minister in het voornemen niet is ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van eisers. Daar komt bij dat de minister ten onrechte de door eisers aangehaalde bronnen niet heeft meegenomen. Verder zijn eisers van mening dat de minister ten onrechte heeft gesteld dat een eventuele overdracht aan Zweden geen indirect refoulement zal opleveren, aangezien de asielprocedure in Zweden eisers niet de benodigde waarborgen kan bieden.
6.1.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt is dat de minister op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan mag uitgaan dat lidstaten van de Europese Unie hun verdragsverplichtingen tegenover asielzoekers zullen nakomen. Van dit uitgangspunt wordt slechts afgeweken als eisers aannemelijk maken dat het asiel- en opvangsysteem dusdanige tekortkomingen vertoont dat zij bij overdracht aan een van deze lidstaten een reëel risico lopen op een behandeling strijdig met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het EU Handvest. Hiervoor moeten de vastgestelde tekortkomingen een hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat in hun geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eisers vrezen dat aan hen in Zweden geen adequate opvang wordt verstrekt, maar nergens blijkt uit dat Zweden hen die opvang zal onthouden. Dat geldt ook voor de gestelde tekortkomingen in de asielprocedure. Eisers hebben geen concrete bezwaren aangedragen die verband houden met de kwaliteit van de asielprocedure in Zweden. De rechtbank overweegt in dat kader dat Zweden met het claimakkoord heeft gegarandeerd dat de asielaanvraag van eisers opnieuw zal worden behandeld in overeenstemming met internationale verplichtingen en zij eisers opnieuw zullen opvangen in overeenstemming met de Opvangrichtlijn en de Procedurerichtlijn. De minister mag er daarom van uitgaan dat de Zweedse autoriteiten een nieuwe asielaanvraag van eisers zorgvuldig zullen behandelen en eisers toegang zullen hebben tot de opvangvoorzieningen. Bovendien stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers zich bij voorkomende problemen kunnen wenden tot de Zweedse autoriteiten. Niet is gebleken dat eisers niet kunnen klagen of dat klagen bij voorbaat zinloos is. De persoonlijke omstandigheden en de angst van eisers om gediscrimineerd te worden leiden niet tot een ander oordeel. Ook daarbij merkt de rechtbank op dat Zweden met het expliciete claimakkoord heeft gegarandeerd dat het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet met concrete aanwijzingen aannemelijk hebben gemaakt dat Zweden zijn internationale verplichtingen tegenover Dublinclaimanten of hen in het bijzonder niet zal nakomen. De minister mocht dan ook uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6.3.
Verder merkt de rechtbank op dat het voornemen een voorbereidingshandeling is en als aankondiging dient van wat de minister van plan is te gaan beslissen, namelijk het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvragen en de voorgenomen overdracht aan Zweden. Vervolgens zijn eisers in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze hierop te reageren. In het bestreden besluit is de minister ingegaan op alle relevante elementen die tot het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen hebben geleid. Verder is in het bestreden besluit kenbaar ingegaan op de verklaringen van eisers. Zo heeft de minister in zijn besluitvorming betrokken dat eisers geen eigen ervaringen hebben met de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Zweden aangezien zij door middel van een verblijfsvergunning Zweden zijn ingereisd. De minister heeft hierbij kunnen concluderen dat de door eisers aangehaalde stukken niet aannemelijk is gemaakt dat eisers in Zweden een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 4 van Pro het Handvest lopen.
6.4.
Met betrekking tot eisers stelling dat zij bij overdracht aan Zweden het risico op indirect refoulement lopen, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [2] , waarin - kort gezegd - werd geoordeeld dat de rechtbank zich niet mag uitlaten over het risico op indirect refoulement als zij al heeft geconcludeerd dat er van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister de asielaanvragen van eisers op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling moeten nemen?
7. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid om hun asielaanvragen onverplicht in behandeling te nemen. Eisers voeren hiertoe aan dat zij psychische problemen hebben en traumatische ervaringen hebben opgelopen in Zweden. Dat zij eerder geen medische informatie hebben toegezonden doet geen afbreuk aan het bestaan van deze medische klachten. Verder heeft de minister tijdens het aanmeldgehoor ten onrechte geen concrete vragen gesteld over eventuele medische problematiek van eisers. De minister heeft ook ten onrechte geen onderzoek gedaan naar de medische problematiek van eisers. Verder zijn eisers van mening dat de overdracht aan Zweden zodanig ernstige invloed op hun fysieke en mentale gezondheid zal hebben dat sprake is van een reëel en onderbouwd risico op aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van hun gezondheidstoestand. Zij doen in dit verband beroep op het arrest C.K. [3] Verder verzoeken eisers om de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 25 januari 2023 [4] , zittingsplaats Middelburg van 8 december 2023 [5] en zittingsplaats Roermond van 7 december 2023 [6] naar analogie toe te passen.
7.1.
Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening kan elke lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land te behandelen, ook al is die lidstaat daartoe op grond van de in de verordening neergelegde criteria niet verplicht. Volgens paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) maakt de minister van zijn bevoegdheid om een verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in ieder geval gebruik als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat eisers in hun aanvullende gronden nog een aantal stukken hebben overgelegd, waaronder een huisartsenjournaal ten aanzien van eiseres, een ziekenhuisrapport van eiseres van de afdeling radiologie vanwege buikpijnklachten, een afspraakkaart van de praktijkondersteuner, een afschrift van de medicatie van eisers, een brief waarin staat dat de afspraak bij de praktijkondersteuner is geannuleerd. Uit het journaal van de huisarts van de periode 6 juni 2025 tot en met 5 december 2025 blijkt dat eiseres last heeft van stress, waardoor ze slecht slaapt. Ze is namelijk bang dat ze terug moet naar Zweden. Verder hebben eisers een brief van de predikant van de kerk en artikelen over het verkrijgen van asiel in Zweden en de discriminatie die daar vreemdelingen ondervinden overgelegd. Uit die artikelen zou blijken dat in Zweden sprake is van een negatieve houding naar migranten.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De minister is gemotiveerd ingegaan op de door eisers aangevoerde omstandigheden in het bestreden besluit. Hij heeft daarbij opgemerkt dat de medische omstandigheden op zichzelf genomen geen bijzondere omstandigheden opleveren, en dat er geen reden is om te denken dat de medische voorzieningen in Zweden minder goed zijn dan die in Nederland of dat eisers daar indien nodig geen toegang toe zullen krijgen. Verder heeft de minister tijdens het gehoor gevraagd of eisers zich lichamelijk en geestelijk in staat voelen om het gehoor te laten plaatsvinden. Hierop hebben eisers bevestigend verklaard. Ook is door hen niet aangegeven dat tijdens het gehoor ergens rekening mee moest worden gehouden. Bovendien heeft de minister aan het einde van het gehoor nog gevraagd of er een bijzondere reden is dat eisers juist in Nederland verzoeken om internationale bescherming. Eisers hebben hierop “nee” geantwoord. Eisers zijn ook in staat gesteld een zienswijze in te dienen naar aanleiding van het voornemen van de minister en daarin hadden zij nader kunnen verklaren. Dat de minister tijdens het aanmeldgehoor niet heeft doorgevraagd naar de medische situatie en hij daarom nader onderzoek had moeten doen, volgt de rechtbank daarom niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de aangevoerde omstandigheden geen reden hoeven zien om de asielaanvragen onverplicht aan zich te trekken, nu, zoals eerder overwogen, ten aanzien van Zweden kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en Zweden via het claimakkoord heeft gegarandeerd dat het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen.
7.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in de bovenstaande klachten van eisers geen aanleiding had hoeven zien om af te zien van overdracht aan Zweden. Uit het arrest C.K. volgt dat een vreemdeling niet mag worden overgedragen als de overdracht van een vreemdeling, die psychische of lichamelijke beperkingen heeft, een ernstige verslechtering van zijn gezondheidstoestand tot gevolg zal hebben. Anders dan eisers menen volgt uit het journaal van de huisarts niet dat er aanwijzingen zijn dat een overdracht aan Zweden aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor de gezondheidstoestand van eiseres zou hebben. Voor haar psychische klachten kan eiseres zich ook in Zweden laten behandelen. Dat Nederland het meest aangewezen land is voor de behandeling van de klachten volgt de rechtbank ook niet. Eisers hebben deze stelling niet onderbouwd. De zaken waar eisers naar verwijzen maken dat niet anders. In de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 25 januari 2023 en zittingsplaats Middelburg van 8 december 2023 is overwogen dat de vreemdeling indien sprake is van een ernstige mentale of lichamelijke aandoening, en hij aantoont dat hij onder actieve medische behandeling staat van een behandelaar/specialist, de minister een onderzoek door het Bureau Medische Advisering (BMA) moet starten. Dat is bij eisers niet het geval. Zij hebben niet aangetoond dat zij thans onder actieve medische behandeling staan van een behandelaar. De door eisers overgelegde afspraakkaart van de praktijkondersteuner is daarvoor onvoldoende. Ook de uitspraak van zittingsplaats Roermond van 7 december 2023 gaat in deze zaak niet op. Niet is gebleken dat eisers aanvullende procedurele waarborgen behoeven. Eisers hebben dit onvoldoende onderbouwd. Daarbij merkt de rechtbank op dat Zweden middels het claimakkoord heeft gegarandeerd dat het verzoek van eisers om internationale bescherming in behandeling zal worden genomen. De minister heeft gelet op het voorgaande ook geen aanleiding hoeven zien om een BMA-advies op te vragen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.ECLI:EU:C:2023:934.
3.HvJEU16 februari 2017, C.K. e.a. tegen Slovenie, ECLI:EU:C:2017:127.
4.Zaaknummers NL22.24480, NL22.24484, NL22.24486 (niet gepubliceerd)