De meervoudige verschoningskamer van de rechtbank Den Haag heeft op 6 maart 2026 een verzoek tot verschoning van een rechter behandeld. Dit verzoek werd ingediend door de rechter zelf, die belast was met de hoofdzaak met kenmerk C/09/692220 HA ZA 25-844. De verzoeker baseerde het verzoek op het feit dat een procesdeelnemer deel uitmaakt van zijn zakelijke kennissenkring en dat hij in een eerdere functie als persrechter betrokken was bij werkzaamheden en contacten die aanleiding kunnen geven tot een objectief gerechtvaardigde vrees voor het ontbreken van onpartijdigheid.
De kamer overwoog dat hoewel rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, uitzonderlijke omstandigheden zoals eerdere betrokkenheid en kennissenkring een terechte vrees voor partijdigheid kunnen rechtvaardigen. De schijn van partijdigheid speelt hierbij ook een rol. Gezien de toelichting van de rechter achtte de kamer het verzoek terecht en besloot het toe te wijzen om de schijn van partijdigheid te vermijden.
De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet door een andere rechter, waarbij de procedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van het verzoek. Een afschrift van de beslissing wordt toegezonden aan alle betrokken partijen en hun advocaten.