De rechtbank Den Haag heeft op 9 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van opzetaanranding van een 65 jaar jongere vrouw op 7 augustus 2025 te Gouda. De verdachte had tijdens het werk van de vrouw in een hotel ongewenst haar buik en borst aangeraakt, terwijl hij wist dat zij daar niet mee instemde.
Tijdens de terechtzitting op 23 februari 2026 werd het bewijs, waaronder camerabeelden en verklaringen van het slachtoffer en verdachte, besproken. De rechtbank achtte het bewezen dat de verdachte de seksuele handelingen met opzet heeft verricht, ondanks het ontbreken van toestemming van het slachtoffer. Het verweer van de verdachte dat er sprake was van een bestaande relatie werd verworpen vanwege het grote leeftijdsverschil en ontkenning door het slachtoffer.
De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een beperkte neurocognitieve stoornis. De straf werd vastgesteld op 180 dagen gevangenisstraf, waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en een meldplicht bij de reclassering. Daarnaast werd een schadevergoeding van €400 toegekend aan het slachtoffer wegens immateriële schade.
De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op waarbij de verdachte verplicht is het bedrag aan de Staat te betalen, met wettelijke rente vanaf de datum van het incident. De verdachte werd veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.