De rechtbank Den Haag heeft op 10 maart 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van poging tot afpersing jegens het slachtoffer. Verdachte stuurde bedreigende berichten, deed zich voor als een ander, stuurde foto's van het slachtoffer en diens familie en bevestigde een explosief-gelijkend voorwerp aan de brievenbus van het bedrijf van het slachtoffer.
De rechtbank achtte het bewezen dat verdachte in de periode van 29 tot en met 31 oktober 2025 te Wassenaar en/of Rijswijk handelde met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld. De poging tot afpersing werd als ernstig beoordeeld vanwege de impact op het slachtoffer en zijn gezin, en de onveiligheid die dergelijke gedragingen in de samenleving veroorzaken.
De strafoplegging bestond uit een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het feit dat het een poging betrof.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €12.667,11, waarvan slechts €517,11 aan materiële schade werd toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 11 november 2025. De rest van de vordering werd niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende onderbouwing. Verdachte werd veroordeeld tot betaling van dit bedrag aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met gijzeling als dwangmiddel bij niet-betaling.