De minister van Asiel en Migratie legde op 3 februari 2026 aan eisers een maatregel van bewaring op op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers stelden beroep in tegen deze besluiten en verzochten tevens om schadevergoeding. De rechtbank Den Haag behandelde de zaak schriftelijk en sloot het onderzoek op 12 februari 2026.
De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het illegaal binnenkomen van Nederland zonder geldig paspoort, het niet meewerken aan overdracht aan Spanje en de noodzaak van onmiddellijke overdracht. Eisers betwistten deze gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de minister deze voldoende feitelijk en gemotiveerd had onderbouwd. Ook het vermeende gebrek aan voortvarendheid van de minister werd verworpen, aangezien een overdracht gepland stond op 11 februari 2026.
Verder stelde eisers dat onvoldoende rekening was gehouden met het belang van het minderjarige kind en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank vond dat de minister dit voldoende had gemotiveerd en dat het risico op onttrekking aan toezicht gerechtvaardigd was. De ambtshalve toets wees uit dat de bewaring niet onrechtmatig was. De beroepen werden ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.