ECLI:NL:RBDHA:2026:4726

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6484 NL26.6486 rectificatie
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 3 IVRK
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrondverklaring beroepen tegen bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 3 februari 2026 aan eisers de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld, dat tevens als verzoek om schadevergoeding geldt. De rechtbank heeft het onderzoek schriftelijk behandeld en gesloten op 12 februari 2026.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden zoals het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het ontvangen van een overdrachtsbesluit en het niet meewerken aan overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat, alsmede het noodzakelijke karakter van onmiddellijke overdracht. Daarnaast werden lichte gronden genoemd zoals het niet naleven van verplichtingen, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.

Eisers betwistten alle gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de minister deze terecht en voldoende gemotiveerd heeft aangevoerd. De verklaringen van eisers bevestigden het risico op onttrekking aan toezicht. Ook het beroep dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen faalde, omdat een overdracht gepland stond kort na de bewaring. Het argument dat een lichter middel passend zou zijn vanwege het minderjarige kind werd eveneens verworpen wegens het concrete risico op onttrekking en het ontbreken van onderbouwing.

De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond, wees de verzoeken om schadevergoeding af en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen een week na bekendmaking.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de bewaring ongegrond en wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6484 en
NL26.6486, rectificatie pagina 1 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2] ,V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer] , eisers, (gemachtigde: mr. G. Ocak),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).

Procesverloop

Bij besluiten van 3 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft de minister aan eisers de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Deze beroepen moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Partijen hebben ingestemd met schriftelijke behandeling. De minister heeft op 6 februari 2026 een verweerschrift ingediend. Eisers hebben op 9 februari 2026 de gronden van beroep ingediend. De minister heeft hierop op 12 februari 2026 verwezen naar het verweerschrift van 6 februari 2026.
De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 12 februari 2026.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregelen van bewaring heeft de minister overwogen dat deze nodig zijn, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eisers zich aan het toezicht zullen onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1 b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eisers:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze zijn binnengekomen, dan wel een poging daartoe hebben gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en geen medewerking verlenen aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun
asielverzoeken;
3m. een overdrachtsbesluit hebben ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van hun asielverzoeken;
en als lichte gronden vermeld dat eisers:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hen geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb hebben gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats hebben;
4d. niet beschikken over voldoende middelen van bestaan.
2. De rechtbank stelt vast dat eisers alle zware en lichte gronden die aan de maatregelen van bewaring ten grondslag zijn gelegd hebben betwist. Eisers stellen dat de zware grond onder 3a niet aan hen kan worden tegengeworpen omdat moeder als asielzoeker naar Nederland is gevlucht. Ten aanzien van de zware grond onder 3k stellen eisers dat zij niet wisten dat zij Nederland moesten verlaten. Zij waren in de veronderstelling dat zij het hoger beroep tegen het overdrachtsbesluit van 20 november 2025 in Nederland mochten afwachten. En ten aanzien van de zware grond onder 3m stellen eisers dat de naderende uiterlijke overdrachtsdatum en het feit dat zij liever niet naar Spanje willen, niet maken dat een onderduikrisico is aangetoond.
3. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware gronden onder 3a, 3k en 3m aan de maatregelen van bewaring ten grondslag mocht leggen. Deze gronden zijn feitelijk juist en voldoende gemotiveerd. Moeder is zonder geldig paspoort, visum en inreisstempel Nederland ingereisd. In het vertrekgesprek op 28 januari 2026 hebben eisers verklaard dat zij op de hoogte waren dat het beroep tegen het overdrachtsbesluit ongegrond was verklaard en dat zij niet wilden meewerken aan overdracht aan Spanje. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een risico op onttrekking.
4. De zware gronden onder 3a, 3k en 3m zijn voldoende om de maatregelen te kunnen dragen. De rechtbank laat de overige betwiste gronden om die reden verder onbesproken. De beroepsgrond slaagt niet.
Voortvarend handelen
5. Eisers stellen dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan hun overdracht. Zij zijn namelijk op 3 februari 2026 in bewaring gesteld en op 9 februari 2026 is nog geen overdracht geëffectueerd.
6. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eisers. Op het moment dat eisers in bewaring werden gesteld was al bekend dat een overdracht stond gepland op 11 februari 2026, zodat de bewaring niet lang hoefde te duren. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eisers stellen dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van het minderjarige kind op grond van artikel 3 van Pro het IVRK. De minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de gronden van de maatregelen en de motiveringen blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Een eerder opgelegde meldplicht heeft niet geleid tot vertrek, eisers verklaren dat zij niet terug willen naar Spanje en zij hebben dan ook geen gehoor gegeven aan het overdrachtsbesluit van 20 november 2025. Verder hebben eisers niet geconcretiseerd welke belangen van het kind zich verzetten tegen verwijdering. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toets
9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregelen van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig waren. De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
10. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
19 februari 2026
De rechter is verhinderd te ondertekenen.
griffier rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.