Eiser, van Iraanse nationaliteit, werd op 5 februari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij diende op 6 februari 2026 een asielaanvraag in. De minister zond op 11 februari 2026 een claimverzoek aan Duitsland, maar ontving nog geen reactie. Eiser voerde aan dat de maatregel prematuur was en dat een lichter middel had moeten worden toegepast.
De rechtbank oordeelde dat er voldoende concrete aanknopingspunten waren dat eiser onder de Dublinverordening viel, waardoor de bewaring gerechtvaardigd was. De minister had bovendien voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel volstond, onder meer vanwege eerdere asielaanvragen en risico op onttrekking aan toezicht.
Eiser vreesde uitzetting naar Iran en stelde dat Duitsland geen eerlijke procedure zou bieden. De rechtbank verwees naar het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de EU en concludeerde dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de bewaring. De ambtshalve toetsing wees uit dat de maatregel niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.