ECLI:NL:RBDHA:2026:4736

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
09.166663.25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 36f SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling en huisvredebreuk met vol opzet

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor zware mishandeling en huisvredebreuk gepleegd op 31 mei 2025 in Zoetermeer. De verdachte drong zonder toestemming de woning van een 72-jarige vrouw binnen en mishandelde haar ernstig, waarbij hij haar meermalen met kracht sloeg en stompte, wat resulteerde in een gebroken neus, gekneusde ribben en diverse bloeduitstortingen.

De rechtbank oordeelde dat de verdachte vol opzet handelde en volledig toerekeningsvatbaar is, ondanks het verweer van onvrijwillige intoxicatie. Het bewijs bestond uit medische verklaringen, forensisch onderzoek, DNA-analyses en getuigenverklaringen. De verdachte heeft een strafblad met ernstige feiten, waaronder een levensdelict.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden zoals reclasseringstoezicht, ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod. Tevens werd een schadevergoeding van €3.213,34 toegewezen aan het slachtoffer, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 18 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en betaling van schadevergoeding voor zware mishandeling en huisvredebreuk.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/166663-25
Datum uitspraak: 9 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1976,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 9 september 2025 en 2 december 2025 (beide pro forma) en 23 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.G. de Graaf en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. N.F.M. van Osta naar voren is gebracht.
Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangeefster] en van de nadere toelichting daarop van mr. M.S. de Nocker, juridisch medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland, aan een ander, te weten [aangeefster] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en/of gekneusde ribben, heeft toegebracht, door die [aangeefster] één of meermalen (met kracht) in/op/tegen haar gezicht en/of (boven)lichaam te slaan en/of te stompen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangeefster] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangeefster] één of meermalen (met kracht) in/op/tegen haar gezicht en/of (boven)lichaam heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland, [aangeefster] heeft mishandeld, door die [aangeefster] één of meermalen (met kracht) in/op/tegen haar gezicht en/of (boven)lichaam te slaan en/of te stompen;
2
hij op of omstreeks 31 mei 2025 te Zoetermeer, althans in Nederland, in de woning, het besloten lokaal en/of het besloten erf, aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [aangeefster] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte, in gebruik wederrechtelijk is binnengedrongen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van feit 1 primair en feit 2.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht de verdachte vrij te spreken van feit 1 primair en subsidiair. De raadsvrouw heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd met betrekking tot feit 1 meer subsidiair en feit 2.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de
bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van: het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025178685 van de politie eenheid Den Haag, district Zoetermeer - Leidschendam/Voorburg (p. 1 t/m 301).
Ten aanzien van feiten 1 primair en 2:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster] , opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 38-39):
Plaats delict: Zoetermeer,
Pleegdatum: 31 mei 2025,
Ik wil aangifte doen van mishandeling en huisvredebreuk. Ik ben vannacht in mijn eigen huis mishandeld terwijl ik niemand toestemming had gegeven mijn woning in te komen. Ik zal u vertellen wat er gebeurd is. Ik ga zoals altijd tussen 21:30 uur en 22:00 uur naar mijn bed toe. Dit was gisteren ook het geval.
Ik lag te slapen toen ik ineens iemand achter mij voelde. Ik voelde toen ook een hand mijn gezicht aftastte. Dit gebeurde op een niet liefelijke manier. Ik reageerde hierop door mijn dekbed van mij af te slaan en direct uit mijn bed te springen. Ik heb toen hard geroepen: "Opsodemieteren." Ik zag gelijk dat het een bewoner van het pad van nummer [huisnummer] was. Ik herkende dit aan zijn kleding die hij droeg. Hij droeg deze kleding eind van de middag ook.
Ik zag dat de man om het bed heen liep en mij kant op liep. Ik werd in de hoek van de kamer gedreven. Ik kon geen kant op. Ik voelde dat de man direct op mij insloeg. Ik voelde direct dat de man mij met gebalde vuist hard in mijn gezicht sloeg. Ik voelde dat dit meerdere klappen waren. Ik voelde direct pijn in mijn gezicht. De klappen waren echt onwijs hard. Voor mijn gevoel bleef de man mij maar slaan. Hij sloeg mij overal op mijn bovenlichaam. Ik had echt overal in mijn gezicht en bovenlichaam pijn.
Ik ben naar het ziekenhuis vervoerd omdat mijn gezicht direct aan alle kanten opzwol. Terwijl ik op dit moment aangifte doe heb ik gigantische pijn in mijn gezicht, nek, borst en ribben. Mijn gezicht zit onder de blauwe plekken en is opgezwollen. Uit de ziekenhuis onderzoeken blijkt dat mijn neus gebroken is. Verder moet de arts nog naar mijn oog kijken omdat deze dicht zit van de zwelling.
2. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever [aangeefster] , opgemaakt op 2 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 115):
Ik belande naast mijn bed. Ik ben in foetushouding gaan liggen. Ik voelde dat de man met volle vuisten om mij insloeg. Ik kon nergens heen.
3. Een geschrift, te weten een medische verklaring van [naam 1] , zorgverlener, opgemaakt op 31 mei 2025, voor zover inhoudende (p. 54):
Medische informatie betreffende:
Achternaam: [aangeefster]
Voornamen: [voornamen]
Uitwendig waargenomen letsel: kneuzingen gezicht, blauw oog.
Overige van belang zijnde informatie: os nasale fractuur (gebroken neus) en gekneusde ribben.
Geschatte duur van genezing: dagen tot weken.
4. Het geschrift, te weten letselbeschrijving van [aangeefster] , ondertekend door [naam 2] , forensisch arts in opleiding, en [naam 3] , forensisch arts), opgemaakt op 12 september 2025, voor zover inhoudende (p. 268-271):
Naar aanleiding van uw aanvraag medische informatie zijn gegevens ontvangen van:
Mevrouw [aangeefster] , geboren [geboortedatum 2] 1952
Adres: [adres 2]
De informatie is verstrekt door: Het Reinier de Graaf Gasthuis te Delft.
Op 31-05-2025 bezocht betrokkene de Spoedeisende Hulp van het Reinier de Graaf ziekenhuis waar de volgende letsels werden waargenomen bij het lichamelijk onderzoek, echografisch onderzoek van de buik, röntgenfoto's van de borstkas en een CT-scan van het hoofd, het gezicht en de nek:
A. Onderhuidse bloeduitstorting op de linkerkant van de borstkas.
B. Onderhuidse bloeduitstorting en zwelling van het gehele gezicht, waarbij het rechteroog dicht zit vanwege de zwelling.
C. Rondom het rechteroog een onderhuidse bloeduitstorting.
D. Op de linker- en rechterarm zijn meerdere striemen zichtbaar.
E. Een breuk aan de rechterkant van het neusbot.
F. Een onderhuidse bloeduitstorting op de rechter zijkant van het hoofd.
Zij werd voor 1 dag opgenomen in het ziekenhuis ter observatie.
Op 03-06-2025 is er door de forensisch arts samen met de Forensische Opsporing letselfotografie verricht bij betrokkene thuis. Hierbij werden de volgende letsels gezien:
Het gezicht:
1. Op de linkerkant van het voorhoofd is een paars-bruin-gele, min of meer ovale, matig scherp begrensde, diagonaal verlopende huidverkleuring van circa 2,5cm bij 1cm.
2. Ter plaatse van letsel 1, op de linkerkant van het voorhoofd, is een scherp begrensde, roodbruine, streepvormige, horizontale huidonderbreking van circa 0,8cm waarbij de streep éénmaal is onderbroken.
3. Er is een roodverkleuring van het gehele oogwit van het rechteroog.
4. Rondom beide ogen is een rood-paarse, matig scherp begrensde, min of meer ronde huidverkleuring van circa 5cm doorsnee.
5. Achter het rechteroor is in de huidplooi van de oorschelp opgedroogd bloed te zien over een lengte van circa 1cm.
6. Op het rechteroor zijn meerdere, paarsbruine, met de vorm van het oor meegaande, matig scherp begrensde huidverkleuringen over de gehele bovenrand van het oor en de gehele oorlel.
7. Er is zwelling van de neus met op de neusbrug drie matig scherp begrensde, min of meer ronde, roodpaarse huidverkleuringen van circa 0,5cm tot 0,8cm.
8. Boven de rechtermondhoek is een matig scherp begrensde, grillig gevormde, donkerpaarse huidverkleuring van circa 2,5cm bij 2cm.
De hals:
9. Van de rechtermondhoek tot en met de linkerzijde van de kin naar beneden tot de overgang van de hals naar de borstkas is een gebied met een matig scherp begrensde, grillige, donkerpaarse huidverkleuring met een circa 1cm brede huidkleurige uitsparing ter plaatse van de huidplooi van de hals. Daarnaast is er onder de linker kaakrand een matig scherp begrensde, min of meer ovale huidkleurige uitsparing met een geschatte grootte van circa 5cm bij 2,5cm.
10. Letsel 9 loopt aan de linkerzijde via de zijkant van de hals door tot in het hoofdhaar op het achterhoofd in een matig scherp begrensde, streepvormige, donkerpaarse huidverkleuring van circa 2,5cm breed over de gehele breedte van de hals.
De romp:
11. Op de rechterzij zijn ongeveer halverwege (onder de beha) twee, matig scherp begrensde, min of meer ovale, blauw-paars-gele huidverkleuringen te zien met een grootte van circa 1cm tot 2cm doorsnee.
12. Op de linkerzijde van de borstkas is ter hoogte van de okselplooi, een matig scherp begrensde, min of meer ovale, paars-blauw-gele huidverkleuring van circa 6cm bij 3,5cm.
13. Vlak naast de linker tepel is een matig scherp begrensde, streepvormige blauw-groen tot bruin- gele huidverkleuring zichtbaar van circa 1,5cm breed en circa 7cm lang.
14. Op de rechterzijde van de borstkas is een matig scherp begrensde, grillig gevormde, blauw-groen-gele huidverkleuring van circa 8cm bij 13cm, met net boven de rechtertepel meerdere matig scherp begrensde, ovaal tot ronde, bruin-paars-gele huidverkleuringen van circa 1cm tot 1,5cm doorsnee.
15. Op de linkerzij zijn, ongeveer halverwege, twee naast elkaar gelegen, matig scherp begrensde, min of meer ovale, blauw-paarse huidverkleuringen van circa 5cm bij 1,5cm en circa 3cm bij 4cm.
16. Op de linkerzijkant van de borstkas in de achterste oksellijn, zijn twee, boven elkaar gelegen, matig scherp begrensde, min of meer ronde, blauwpaarse huidverkleuringen van circa 2,5cm doorsnee.
De ledematen:
17. Op de achterkant van de rechterbovenarm zijn, op ongeveer 1/3e vanaf boven, meerdere matig scherp begrensde, grillige, blauw-paars-gele huidverkleuringen, die samenvloeien in een gebied van in totaal circa 7cm bij circa 6cm.
18. Op de boven-achterkant van de rechterschouder is een matig scherp begrensde, min of meer ronde, bruinpaarse huidverkleuring van circa 5cm doorsnee.
19. Op de gehele binnenkant van de rechterbovenarm zijn meerdere, matig scherp begrensde, bruinpaarse, ovaal tot ronde, huidverkleuringen met een grootte variërend tussen circa 1cm tot 3cm doorsnee.
20. Op de binnenzijde van de linker bovenarm is een scherp begrensde, langwerpige, grillige, paars-bruin-gele huidverkleuring die vanaf de oksel tot halverwege de bovenarm loopt van circa 15cm bij 7cm.
21. Op de voorzijde van de linker bovenarm is een matig scherp begrensde, min of meer ovale, blauwpaarse huidverkleuring van circa 3cm bij 1,5cm.
22. Op de bovenkant van de linkerschouder is een scherp begrensde, grillig gevormde, niet-egaal gekleurde, paars-gele huidverkleuring van circa 3,5cm bij 5cm.
23. Net boven de linker elleboog is een matig scherp begrensde, min of meer ovale, paarsbruine huidverkleuring met een grootte van circa 5cm bij 2,5cm.
24. Net onder de linker elleboog zijn twee scherp begrensde, lichtrode tot rode, grillige huidonderbrekingen die niet over het gehele verloop even diep zijn met losse velletjes aan de randen, van circa 0,5 tot 1cm.
25. Op de linker onderarm is aan de pinkzijde een matig scherp begrensde, min of meer ronde, paarsrode huidverkleuring van circa 1cm doorsnee.
26. Op de handrug van de linkerhand is een matig scherp begrensde, blauwgroene huidverkleuring, die doorloopt over vrijwel de gehele handrug tot de duimbasis.
Letsel 1, 4, 6 t/m 23, 25 en 26 betreffen bloeduitstortingen,
Letsel 2 en 5 betreffen krasverwondingen.
Letsel 3 betreft een subconjunctivale bloeding.
Letsel 24 betreft een schaafverwonding.
Letsel E betreft een gebroken neus.
De letsels betreffen voornamelijk uitgebreide bloeduitstortingen in het gezicht, de hals, op de borstkas en de armen, krasverwondingen, schaafverwondingen en een gebroken neus. De bloeduitstortingen, krasverwondingen en schaafverwondingen hebben een geschatte genezingsduur van 1-3 weken. De gebroken neus heeft een geschatte genezingsduur van minimaal 6 weken. Gezien de uitgebreidheid van de bloeduitstortingen in het gezicht is het denkbaar dat de genezing langer zal vergen. Omdat denkbaar is dat sprake is van licht traumatisch hoofd/hersenletsel, dat niet is
vastgesteld door de behandelaren, kan de totale genezing enkele weken tot maanden in beslag nemen.
5. Een geschrift, te weten een medisch verslag d.d. 13 november 2025 van [naam 4] , oogarts, voor zover inhoudende:
Betreft:
Mevrouw [aangeefster]
Geboortedatum:
[geboortedatum 2] 1952
Bovengenoemde patiënte zag ik op 13-11-2025 op de Polikliniek Oogheelkunde.
Reden van komst / Verwijzing
Via HagaDirect ivm staar
Conclusie
ODS milde puckering
ODS corticonuclair cataract.
Samenvatting
OS amblyoop
Anamnese
Heeft bij de optometrist volledig oogonderzoek gehad en nu doorverwezen ivm staar (zie verwijzing).
In mei in elkaar geslagen en op hoofd gevallen. Daarna viel haar op dat ze minder zag.
6. Het geschrift, te weten een medische verklaring van [naam 5] , huisarts, opgemaakt op 13 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 290):Betreft:
Mw. [aangeefster]
Geboortedatum: [geboortedatum 2] 1952
informatie op verzoek na mishandeling 31/5/2025.
zicht is minder sinds mishandeling (zie brief oogarts).
nog steeds wat verdikte oogkas rand boven li oog.
st na neus fractuur. daarbij soms nog blauwe verkleuring onder re oog.
7. Het proces-verbaal forensisch onderzoek persoon, opgemaakt op 3 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 178-180):
Op zaterdag 31 mei 2025 werd ik verzocht, om mij naar de [adres 2] te begeven in verband met een mishandeling van een vrouw. Ter plaatse aangekomen vernam ik van de politieagenten ter plaatse dat de verdachte was aangehouden. Derhalve ben ik naar de cellengang van politiebureau Zoetermeer gereden om onderzoek te doen aan de verdachte.
Verdachte
Achternaam: [achternaam verdachte]
Voornamen: [voornaam verdachte]
Ik heb de knokkels van beide handen bemonsterd ten behoeve van DNA-onderzoek. De bemonsteringen heb ik veiliggesteld en voorzien van de volgende sporenidentificatienummers (SIN):
SIN AASU8160NL linkerhand knokkels droog;
SIN AAOU7989NL rechterhand knokkels nat.
8. Het proces-verbaal forensisch onderzoek stukken van overtuiging (SVO), opgemaakt op 24 juni 2025, voor zover inhoudende (p. 194-195):
Op zaterdag 31 mei 2025 omstreeks 01:00 uur vond een mishandeling van een 72-jarige vrouw plaats in haar woning, gelegen aan de [adres 2] .
De broek en het T-shirt van de verdachte werden veiliggesteld voor een nader forensisch onderzoek.
Ter hoogte van de rechterknie van de broek zagen wij onder een groene veeg een roodbruine vlek. Wij hebben deze vlek getest met de tetrabase test en kregen hierbij wel een indicatie voor de aanwezigheid van bloed in de vlek. Wij hebben de vlek bemonsterd op de mogelijke aanwezigheid van humaan biologisch celmateriaal.
Veiliggestelde sporen
SIN: AARJ3898NL
Spooromschrijving: Bloed
Plaats veiligstellen: vlek knie tb+
9. Het deskundigenverslag, te weten NFI rapport DNA-onderzoek naar aanleiding van een mishandeling in Zoetermeer op 31 mei 2025, opgemaakt op 15 juli 2025, voor zover inhoudende (p. 246):
AAOU7989NL#01 (rechterhand nat (knokkels))
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [aangeefster] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat verdachte [de verdachte] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel AAOU7989NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [de verdachte] , slachtoffer [aangeefster] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [de verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.
AASU8160NL#01 (linkerhand droog (knokkels))
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [aangeefster] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen. Tevens is aangenomen dat verdachte [de verdachte] één van de donoren is.
DNA-mengprofiel AASU8160NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [de verdachte] , slachtoffer [aangeefster] en een willekeurige onbekende persoon, dan wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [de verdachte] en twee willekeurige onbekende personen.
AARJ3898NL#01 fvlek knie tb+: AASP8585NL)
Voor deze bemonstering is de bewijskracht ten aanzien van slachtoffer [aangeefster] en verdachte [de verdachte] berekend. Hierbij is aangenomen dat de bemonstering DNA bevat van drie personen.
Ten aanzien van slachtoffer [aangeefster] :
DNA-mengprofiel AARJ3898NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van slachtoffer [aangeefster] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige onbekende personen.
Ten aanzien van verdachte [de verdachte] :
DNA-mengprofiel AARJ3898NL#01 is meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker wanneer het DNA afkomstig is van verdachte [de verdachte] en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer het DNA afkomstig is van drie willekeurige
onbekende personen.
3.4.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1
Het incident
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 31 mei 2025 het huis van de 72-jarige aangeefster is binnengegaan. Toen de aangeefster hiervan wakker werd, heeft hij haar in de hoek van de kamer gedreven en heeft hij haar meermalen geslagen. De aangeefster heeft verklaard dat (zij voelde dat) de verdachte direct op haar gezicht insloeg met een gebalde vuist. Ze voelde dat dit meerdere klappen waren en dat deze klappen onwijs hard waren. Hij sloeg haar overal op haar bovenlichaam terwijl zij in een foetushouding op de grond lag. Uit medische informatie is onder andere gebleken dat zij door deze mishandeling talloze bloeduitstortingen in haar gezicht en op haar bovenlichaam, een gebroken neus en gekneusde ribben heeft opgelopen.
Opzet
De rechtbank dient de vraag te beantwoorden hoe het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd. De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een zware mishandeling is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij de aangeefster.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, ook niet in de zin dat hij bewust de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel heeft aanvaard.
De rechtbank verwerpt dit verweer. Op basis van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van aangeefster. Zonder enige aanleiding is de verdachte de slaapkamer van de aangeefster binnengedrongen en heeft hij haar, een vrouw op de kwetsbare leeftijd van 72 jaar, meermalen en met beide handen met kracht tegen het gezicht en rondom de slapen, op het hoofd en op het bovenlichaam geslagen en gestompt met een gebalde vuist. De aangeefster lag hierbij weerloos op de grond en kon geen kant op. Door onder deze omstandigheden op deze manier te handelen kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geconcludeerd dan dat de verdachte de intentie had om zwaar lichamelijk letsel aan de aangeefster toe te brengen en dat hij hier dus vol opzet op had.
Zwaar lichamelijk letsel
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of door het handelen van de verdachte zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. De raadsvrouw heeft bepleit dat het letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Voor de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van zwaar lichamelijk letsel wordt volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gekeken naar de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel.
Door het incident heeft de aangeefster, zoals blijkt uit de hiervoor genoemde geneeskundige verklaringen, een gebroken neus opgelopen. Ook heeft zij een veelheid van verschillende bloeduitstortingen in het gezicht, op haar hoofd, de hals, de borstkas en de armen opgelopen. Deze bloeduitstortingen en vochtophopingen waren niet alleen talrijk, maar in meerdere gevallen ook zeer fors. Zij is vanaf haar kruin tot aan haar middel volledig bont en blauw geslagen. Verder heeft zij ook kras- en schaafverwondingen en gekneusde ribben opgelopen. Uit een recente medische verklaring van januari 2026, acht maanden na het incident, blijkt dat het zicht van de aangeefster minder is sinds de mishandeling en dat zij nog steeds een verdikte oogkas heeft.
De rechtbank is van oordeel dat het samenstel en de veelheid van de aan de aangeefster toegebrachte letsels zo ernstig zijn dat deze - ook zonder dat operatief ingrijpen noodzakelijk was - als zwaar lichamelijk letsel moeten worden aangeduid.
Conclusie
De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van zware mishandeling.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1.
hij op 31 mei 2025 te Zoetermeer aan [aangeefster] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken neus en gekneusde ribben, heeft toegebracht, door die [aangeefster] meermalen met kracht in/op/tegen haar gezicht en bovenlichaam te slaan en te stompen;
2.
hij op 31 mei 2025 te Zoetermeer, in de woning aan de [adres 2] , bij een ander, te weten bij [aangeefster] in gebruik, wederrechtelijk is binnengedrongen.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

5.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van het ontstane psychotische gedrag dat als gevolg van de onvrijwillige intoxicatie van drugs in combinatie met alcohol is ontstaan. Het tenlastegelegde kan hem daarom niet worden toegerekend, waarvoor ontslag van alle rechtsvervolging dient te volgen.
5.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
Het scenario van de verdediging dat de verdachte de drugs onvrijwillig heeft ingenomen en dat iemand deze heimelijk bij hem heeft toegediend, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden en vindt geen steun in enig bewijsmiddel. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verdachte op dit punt tegenstrijdig heeft verklaard. Hij heeft vanaf het begin verklaard alcohol te hebben gedronken en drugs te hebben gebruikt en pas in een later verhoor bij de politie dat een ander soort drugs hem onvrijwillig is toegediend. De rechtbank verwerpt het verweer dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de feiten in verminderde zin toe te rekenen en dat in de strafmaat in strafverminderende zin mee te wegen. De verdachte was onder invloed van alcohol en middelen en ernstig psychotisch ontregeld. Dit heeft de gedragskeuzes van de verdachte beïnvloed. Daarnaast heeft zij verzocht om bij de straf rekening te houden met het blanco strafblad van de verdachte in Nederland, de meewerkende houding en de spijtbetuiging van de verdachte, de positief gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het feit dat de verdachte sinds de invrijheidstelling geen nieuwe politie en/of justitiecontacten heeft gehad.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling en huisvredebreuk. De verdachte is ’s nachts, onder invloed van verdovende middelen, de woning van het slachtoffer binnen gegaan, zonder dat hij daarvoor toestemming had. Hij heeft daarmee het huisrecht aangetast. De verdachte is naast het slachtoffer in bed gaan liggen. Toen het slachtoffer, een vrouw van 72 jaar, hiervan wakker werd, heeft de verdachte haar in een hoek van de slaapkamer gedreven. Zonder aanleiding heeft de verdachte het slachtoffer daarna, in haar eigen woning, meermalen met gebalde vuist geslagen tegen haar gezicht en bovenlichaam. Door zo te handelen heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De situatie moet voor het slachtoffer buitengewoon beangstigend zijn geweest en gevoelens van onveiligheid hebben opgeroepen. Het slachtoffer heeft door deze mishandeling pijn geleden en zwaar lichamelijk letsel opgelopen, waaronder bloeduitstortingen, kras- en schaafverwondingen aan het gezicht, een gebroken neus en oogletsel waar zij nog steeds last van heeft. Deze zware mishandeling heeft een grote en blijvende impact op het slachtoffer gemaakt, zo blijkt uit de slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen door één van haar dochters. Dit alles rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan. Daarbij weegt zij nog in het bijzonder in zijn nadeel mee dat sprake was van een volstrekt onverwachte uitbarsting van geweld in het huis van het slachtoffer, een plek waar zij zich juist veilig hoort te voelen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het (buitenlands) strafblad van de verdachte van 1 juni 2025. Daaruit volgt dat de verdachte zich meermalen schuldig heeft gemaakt aan ernstige strafbare feiten, waaronder een levensdelict.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de bevindingen van dr. J. van der Meer, psychiater, en drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, zoals neergelegd in hun Pro Justitia rapporten van 5 december 2025.
De psychiater heeft geconcludeerd dat er bij de verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en zwakbegaafdheid. Deze stoornissen zijn chronische stoornissen die ook ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig zullen zijn geweest, maar niet de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde hebben beïnvloed. Het middelengebruik en de hierdoor ontstane verwardheid waren de belangrijkste delictfactoren. Mogelijk ontstond hierdoor een psychose, maar dat is niet duidelijk geworden vanwege de ontkenning door de verdachte van het tenlastegelegde. De beslissing om die avond over te gaan tot het gebruik van alcohol (en dus ook de gevolgen daarvan) kan aan de verdachte worden toegerekend, voor zover deze beslissing vrijwillig tot stand kwam en de drugs niet heimelijk aan hem werden toegediend. De psychiater heeft geen inschatting kunnen geven van het risico op recidive en heeft daarom geen behandeladvies gegeven, omdat hij geen verband heeft gezien tussen de aanwezige psychopathologie en de beslissing om alcohol en drugs te gebruiken.
De psycholoog heeft geconcludeerd dat ten tijde van het tenlastegelegde sprake was van intoxicatie door een ongespecificeerd stimulantium en zwakbegaafdheid. De intoxicatie leidde bij de verdachte tot (seksueel) ontremd psychotisch gedrag. De psycholoog heeft evenals de psychiater geconcludeerd dat het tenlastegelegde geheel aan de verdachte is toe te rekenen. Het is niet precies duidelijk in welke toestand de verdachte verkeerde (en in hoeverre hij het contact met de realiteit kwijt was) vanwege het gebrek aan getuigen die de verdachte die dag hebben gezien. De psycholoog kon niets zeggen over de kans op herhaling van een soortgelijk feit. Zij schrijft wel dat bij de verdachte sprake is van meerdere risicoverhogende factoren. Hij heeft een uitgebreid strafblad, vertoont in zekere mate antisociale opvattingen en trekken en verkeert mogelijk in een procrimineel netwerk in Litouwen. Daarnaast is sprake van een problematische opvoedingsachtergrond en een gebrek aan prosociaal tijdverdrijf. Op basis hiervan heeft zij geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van enkele risicofactoren die het risico op toekomstig gewelddadig gedrag vergroten, waarbij zijn criminele verleden de grootste risicofactor vormt en de andere factoren mogelijk of enigszins aanwezig zijn. De psycholoog heeft eveneens geen behandeladvies in strafrechtelijk kader geadviseerd.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het reclasseringsrapport van 30 januari 2026 omtrent de verdachte. De rapporteur heeft geconcludeerd dat het recidiverisico en het risico op onttrekken aan voorwaarden als gemiddeld wordt ingeschat. Het middelengebruik, psychosociaal functioneren en de houding van de verdachte worden gezien als risicofactoren. De reclassering ziet noodzaak om interventies in te zetten. Reclasseringstoezicht kan bijdragen aan het verminderen van de kans op recidive en
letselschade. Het inzetten van een ambulante behandelverplichting gericht op zowel middelengebruik als psychosociaal functioneren is geïndiceerd. Het is van belang om het middelengebruik van de verdachte te monitoren door het afnemen van urinecontroles. Ter bescherming van het slachtoffer is een contact- en locatieverbod geïndiceerd. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De reclassering adviseert als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contact- en locatieverbod en het meewerken aan middelencontrole.
Toerekenbaarheid
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten, omdat hij onder invloed was van verdovende middelen en hij ernstig psychisch ontregeld was. Omtrent dit verweer overweegt de rechtbank het volgende. Dat hier in dit geval sprake van is geweest, is onvoldoende aannemelijk geworden. De verdachte heeft de verdovende middelen zelf tot zich genomen en kan verantwoordelijk worden gehouden voor zijn handelen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de Pro Justitia-rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies van het gedragskundig onderzoek worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over en oordeelt dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar was ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten.
Straf
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, en het strafblad van de verdachte, niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan oplegging van een straf die een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. De rechtbank acht de zware mishandeling zo zwaarwegend dat niet kan worden volstaan met een straf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.
De rechtbank, acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, passend en geboden. Zij zal een gedeelte hiervan, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden. De voorwaardelijke straf dient enerzijds ertoe om de ernst van de gepleegde feiten (met name feit 1 primair) tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw een strafbaar feit te plegen.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.213,34 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 713,34 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot
schadevergoeding moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Materiële en immateriële schade
De vordering is namens de verdachte niet gemotiveerd betwist en namens de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.
Toe te wijzen bedrag
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 3.213,34, bestaande uit € 713,34 aan materiële schade en € 2.500,- aan immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor de bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 3.213,34, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 138 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1 primair:
zware mishandeling;
ten aanzien van feit 2:
in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
18 (ACHTTIEN) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf,
groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde
proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- zich meldt bij SVG Reclassering Limburg Vincent van Gogh op het adres Laurentiusplein 10, 6043 CS Roermond op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;
- zich onder behandeling stelt van De Waag, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn middelengebruik en psychosociaal functioneren;
- zich onthoudt van iedere vorm van – direct of indirect – contact met mevrouw [aangeefster] , geboren op [geboortedatum 2] 1952;
- zich niet bevindt in Zoetermeer;
- zich onthoudt van het gebruik van alcohol en drugs en ten behoeve van de naleving van dit verbod meewerkt aan bloedonderzoek of urineonderzoek;
geeft opdracht aan SVG Reclassering Limburg Vincent van Gogh tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 3.213,34 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 3.213,34, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangeefster] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 32 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde
partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of
gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting
aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. R. Wieringa, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. I. Jadib, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Ginkel en C.W.I. Ostendorf, griffiers,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2026.