ECLI:NL:RBDHA:2026:4737

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
NL26.6091
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 94 VwArt. 106 VwArt. 3:2 AwbArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico onderduiken en zicht op overdracht afgewezen

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Liberiaanse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgeheven voordat de zitting plaatsvond, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.

Eiser voerde aan dat de maatregel was gebaseerd op een onvoldoende onderzocht feitencomplex en dat de minister niet had voldaan aan de vereiste individuele beoordeling, met name dat het risico op onderduiken onvoldoende was gemotiveerd en dat er geen lichter middel was toegepast. Ook stelde eiser dat er geen concreet zicht was op overdracht aan Duitsland, wat volgens hem noodzakelijk was voor de rechtmatigheid van de bewaring.

De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod voor Duitsland en de vrees voor boete en detentie bij terugkeer niet relevant waren voor de rechtmatigheid van de maatregel. De motivering van het onttrekkingsrisico was feitelijk juist en voldoende, gebaseerd op vijf zware gronden die niet waren betwist. De minister had ook voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel volstond, gezien het eerdere gedrag van eiser en zijn weigering tot medewerking aan overdracht.

Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond, ondanks het ontbreken van een claimakkoord op het moment van oplegging. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel niet onrechtmatig was geweest. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6091
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).

Procesverloop

Bij besluit van 8 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 10 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1992.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Inreisverbod en vrees terugkeer
3. Eiser stelt dat de maatregel van bewaring is genomen op basis van een onvoldoende onderzocht feitencomplex, wat in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Eiser heeft tijdens zijn gehoor verklaard dat hij een inreisverbod voor Duitsland heeft en bij terugkeer naar Duitsland een boete en detentie riskeert. De minister heeft dit niet onderzocht en niet meegenomen in de maatregel van bewaring.
4. De rechtbank oordeelt dat een inreisverbod voor Duitsland en eisers vrees voor een boete en detentie bij terugkeer niet relevant zijn voor de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring en dus geen bespreking behoeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Risico op onderduiken
5. Eiser stelt dat de minister niet heeft voldaan aan de vereiste individuele beoordeling. Hiertoe voert eiser aan dat de minister het risico op onderduiken baseert op standaard gronden en dat dat onvoldoende is gemotiveerd. De motivering heeft grotendeels betrekking op het verleden en niet op de huidige situatie. Daarbij heeft eiser tijdens het gehoor expliciet verklaard asiel te willen aanvragen en in Nederland te willen blijven. Verder heeft de minister geen concrete en individuele afweging gemaakt.
6. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat een feitelijk juiste motivering van de zware gronden voldoende is om een onttrekkingsrisico aan te nemen. Dat het gaat om feiten of omstandigheden uit het verleden, doet daar niet aan af. In de maatregel van bewaring zijn vijf zware gronden aan eiser tegengeworpen, waarvan hij er geen heeft betwist. Uit deze niet betwiste zware gronden van de maatregel en de motivering blijkt dus dat er een onttrekkingsrisico bestaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

7. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
8. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Lichter middel
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet is gekozen voor een lichter middel dan de maatregel van bewaring, zoals een meldplicht, een vrijheidsbeperkende locatie of toezicht door de Dienst Terugkeer en Vertrek. Dit is in strijd met het subsidiariteitsbeginsel en maakt de maatregel van bewaring onrechtmatig.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat er niet kan worden volstaan met een lichter middel. Uit de niet betwiste gronden van de maatregel en de motivering blijkt al dat er een risico op onttrekking aan het toezicht bestaat. Eiser is twee keer eerder met onbekende bestemming vertrokken, beschikt niet over documenten en heeft nooit activiteiten ondernomen om alsnog aan documenten te komen. Verder heeft eiser expliciet verklaard niet mee te willen werken aan overdracht aan Duitsland. De beroepsgrond slaagt niet.

Zicht op overdracht

11. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op overdracht aan Duitsland. De maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw is op 8 januari 2026 aan eiser opgelegd. Het claimakkoord en concrete overdrachtshandelingen zijn pas nadien geformaliseerd. Ten tijde van oplegging van de maatregel van bewaring bestond dus geen concreet zicht op overdracht.
12. De rechtbank oordeelt als volgt. Voor de maatregel van bewaring op grond van 59a, eerste lid, van de Vw is een concreet aanknopingspunt voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening (Dvo) vereist. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat sprake is van een dergelijk concreet aanknopingspunt, gelet op de Eurodac-treffer. Dat er op de datum van inbewaringstelling nog geen claimakkoord lag, doet hier niet aan af. Daarmee bestond bij het opleggen van de maatregel van bewaring, zicht op uitzetting naar Duitsland binnen een redelijke termijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
13. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
25 februari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.