De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Liberiaanse vreemdeling tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was opgeheven voordat de zitting plaatsvond, waardoor de beoordeling zich beperkte tot de vraag of de bewaring onrechtmatig was en of schadevergoeding moest worden toegekend.
Eiser voerde aan dat de maatregel was gebaseerd op een onvoldoende onderzocht feitencomplex en dat de minister niet had voldaan aan de vereiste individuele beoordeling, met name dat het risico op onderduiken onvoldoende was gemotiveerd en dat er geen lichter middel was toegepast. Ook stelde eiser dat er geen concreet zicht was op overdracht aan Duitsland, wat volgens hem noodzakelijk was voor de rechtmatigheid van de bewaring.
De rechtbank oordeelde dat het inreisverbod voor Duitsland en de vrees voor boete en detentie bij terugkeer niet relevant waren voor de rechtmatigheid van de maatregel. De motivering van het onttrekkingsrisico was feitelijk juist en voldoende, gebaseerd op vijf zware gronden die niet waren betwist. De minister had ook voldoende gemotiveerd waarom geen lichter middel volstond, gezien het eerdere gedrag van eiser en zijn weigering tot medewerking aan overdracht.
Verder stelde de rechtbank vast dat er wel degelijk een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestond, ondanks het ontbreken van een claimakkoord op het moment van oplegging. De ambtshalve toetsing leidde tot de conclusie dat de maatregel niet onrechtmatig was geweest. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.