ECLI:NL:RBDHA:2026:4745

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
11902856 RL EXPL 25-17974
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Wet Aansprakelijkheid MotorrijtuigenArt. 21 RvArt. 111 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen verstekvonnis over achterstallige verzekeringspremies na premieverhoging

De zaak betreft een verzetprocedure van een verzekerde tegen Univé, die hem veroordeelde tot betaling van achterstallige premies na een premieverhoging. De verzekerde betwistte de hoogte van de schadevergoeding die Univé had uitgekeerd na een aanrijding met een fiets.

De verzekerde stelde dat Univé onterecht een hoger bedrag dan de daadwerkelijke reparatiekosten van de fiets had uitgekeerd, en dat de premieverhoging daarom onrechtmatig was. Univé had volgens de rechtbank onvoldoende inzicht gegeven in de schadevaststelling, met name over de letselschade en een onduidelijke reparatiebon van €100.

De rechtbank oordeelde dat Univé onvoldoende zorgvuldig had gehandeld door niet toe te lichten waarom het volledige schadebedrag aan de verzekerde werd doorberekend en de premie verhoogd. Het verstekvonnis werd vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen afgewezen. Univé werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het verstekvonnis wordt vernietigd en de oorspronkelijke vorderingen van Univé worden afgewezen wegens onvoldoende zorgvuldigheid bij schadevaststelling en premieverhoging.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
nbv/c
Zaaknummer: 11902856 \ RL EXPL 25-17974
Vonnis van 17 februari 2026
in de (verzet)zaak van
[eiser],h.o.d.n.
[handelsnaam],
te [woonplaats],
eisende partij in verzet,
oorspronkelijk gedaagde,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. T.F.W. Bijloo,
tegen
de naamloze vennootschap
N.V. UNIVÉ SCHADE,
te Zwolle,
gedaagde partij in verzet,
oorspronkelijk eiseres
hierna te noemen: Univé,
gemachtigde: LikiFin Gerechtsdeurwaarders.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van de zijde van Univé van 10 juni 2025 met producties 1 tot en met 3;
  • het verstekvonnis van 3 juli 2025 onder rolnummer 11769925;
  • de verzetdagvaarding van de zijde van [eiser] van 3 september 2025;
  • de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
  • de brief van Univé van 13 januari 2026, binnengekomen op 14 januari 2026, met producties 4 tot en met 8;
  • de brief van Univé van 14 januari 2026, binnengekomen op 15 januari 2026, met producties 9 tot en met 11;
  • de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 27 januari 2026 met een door Univé overgelegd overzicht van betalingen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[eiser] was tot 1 januari 2025 bij Univé verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid voor zijn bedrijfsauto Fiat Ducato [kenteken]. De aanvangspremie bedroeg € 97,34 per maand. Op de verzekeringsovereenkomst zijn de Algemene voorwaarden en de Voorwaarden Bedrijfsautoverzekering van Univé van toepassing.
2.2.
Artikel 9.1 van de Algemene voorwaarden (tiende gedachtebolletje) luidt als volgt (alle citaten letterlijk weergegeven en voor zover van belang):
“Als wij beslissen dat weschade
moetenvergoeden
, bent u aan deze beslissing gebonden. Wij mogen ook rechtstreeks een regeling treffen met de persoon die schade heeft en ook rechtstreeks aan deze persoon betalen.”
2.3.
Op 29 november 2023 heeft [eiser] met de betreffende bedrijfsauto een 15-jarig meisje op de fiets aangereden toen hij rechtsaf wilde slaan. [eiser] is aansprakelijk voor dit ongeval.
2.4.
Na de melding van de schade bij Univé heeft [eiser] haar op 8 december 2023 laten weten dat hij de reparatiekosten voor het voorwiel van de fiets wilde betalen. Op 1 maart 2024 heeft Univé [eiser] bericht dat zij een schadebedrag van € 1.033,55 had uitgekeerd. Zij schrijft verder (alle citaten letterlijk en voor zover van belang):
Het is voor u voordeliger om de schade zelf te betalenU bent dit niet verplicht. Wanneer u de schade aan ons terugbetaalt, houdt u wel uw no-claimkorting en schadevrije jaren.Wanneer u kiest voor het terugbetalen van de schadeMaakt u dan € 1.033,55 niet in 1 keer over op IBAN (…). U kunt de schade terugbetalen tot 1 jaar nadat u de nieuwe polis heeft ontvangen.”
2.5.
Univé heeft in augustus 2024 de premie met ingang van 26 september 2024 verhoogd naar € 239,69 per maand. Op een polisblad van 9 augustus 2024 is vermeld:
“-5 schadevrije jaren, trede 1”, en
“0% no claim-korting”,met als kosten van de verzekering € 239,69 per maand.
2.6.
Op 13 augustus 2024 heeft [eiser] Univé het volgende bericht gestuurd:
“Please i want to ask questions here, First was the bycicle repaired or a new one was bought? Secondly, if repaired hoe much did it cost? And if new one was bought how much was it? I asked this question because only the front wheel was slightly bended. I sent the photos to your office. (…)”.
2.7.
Op 14 augustus 2024 schrijft Univé in antwoord hierop:
“De fiets is gerepareerd voor € 433,55. Het betreft schade aan de voorzijde van de fiets. Daarnaast had de andere betrokkene letselschade, die wij ook geregeld hebben.PrivacyWij kunnen ons voorstellen dat u graag op de hoogte gehouden wilt worden wanneer er sprake is van letsel. Helaas is dit vanwege privacywetgeving niet toegestaan. Een ongeluk is vervelend en vaak heftig voor de betrokkenen. Zij worden overvallen door het ongeluk, de schrik, de schade en misschien zelfs letsel. Wij als verzekeraar doen ons best de gevolgen van een ongeval zo goed mogelijk af te handelen. (…)”
2.8.
Op 19 augustus 2024 schrijft [eiser] aan Univé:
“The bicycle was repaired ad it coast 433,55 to fix the front tyre? That same bike i priced it and is sold voor 350 incl BTW for new on. However, since the repair cost 433,55 why should i pay 1033 euro? I should pay the 433,55 euro.”
2.9.
Op 22 augustus 2024 belt [eiser] met Univé, maar de schadebehandelaar is niet aanwezig. In een telefoonnotitie staat:
“Zoals ik begrijp is VZ het niet eens met de uitgekeerde bedragen.”2.10. Op 23 augustus 2024 stuurt de schadebehandelaar van Univé [eiser] het volgende bericht:
“I think the situation is not clear to you, I am sorry about that. On the 29th of November last year you were involved in an accident involving someone on a bike. I paid for the damage caused to her bike and for the caused injuries. Unfortunately I can’t give you any information about the expense of the injuries because of the privacy law. (…)”
2.11.
[eiser] antwoordt hierop op dezelfde dag:
“I quite understand you clearly. First, i am not talking about the cost of repairs of 433,55 euro. My concern and question is the second person you mentioned. Why did you paid for her injuries? Because there were no injuries. You mentioned privacy law, same law give me power to know what medical bills I am paying for. (…)”
2.12.
[eiser] heeft het schadebedrag niet betaald en ook de verhoogde premie niet.

3.Het geschil

3.1.
Univé vorderde in de oorspronkelijke dagvaarding op grond van de hiervoor genoemde feiten veroordeling van [eiser] tot betaling van een bedrag van € 854,90, bestaande uit de verzekeringspremie over de maanden september tot en met december 2024 (€ 985,76 in totaal, verminderd met te veel betaalde premie over de maand januari 2025 van € 130,86). Daarnaast vorderde Univé € 48,40 aan buitengerechtelijke kosten en veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Bij vonnis van de kantonrechter van 3 juli 2025 zijn de vorderingen van Univé toegewezen.
3.2.
[eiser] vordert in verzet – samengevat – hem te ontheffen van de veroordeling bij het verstekvonnis en de vorderingen van Univé alsnog af te wijzen, met veroordeling van Univé in de proceskosten. [eiser] betwist dat Univé daadwerkelijk € 1.033,55 aan schade heeft vergoed. Als dat zo is, dan heeft Univé volgens [eiser] ten onrechte een hoger bedrag dan € 433,55 vergoed, omdat het meisje alleen maar schade had aan haar fiets. Univé heeft kennelijk medische kosten vergoed van iemand anders dan het meisje dat hij heeft aangereden. Er was echter niemand anders bij het ongeval betrokken. Het kan dan ook niet van hem worden gevergd dat hij het meerdere betaalt. Volgens [eiser] heeft Univé de premie vervolgens zonder reden of aanleiding verhoogd van ongeveer € 97,-- naar bijna € 240,--. Omdat daarmee voor hem de maat vol was, heeft hij contact gehad met Univé om de verzekering te beëindigen. Daarbij is afgesproken dat hij de vermeende verschuldigde premies niet meer hoefde te betalen in verband met de afspraken rond het incident met het meisje, zo voert [eiser] aan.

4.De beoordeling

ontvankelijkheid4.1. [eiser] is tijdig in verzet gekomen tegen het verstekvonnis en is dus ontvankelijk in zijn verzet.
inhoudelijk
4.2.
[eiser] heeft als verweer aangevoerd dat Univé te veel schade heeft uitgekeerd. Univé heeft met een beroep op de hiervoor onder 2.2 aangehaalde bepaling uit artikel 9.1 van haar Algemene voorwaarden betoogd dat niet van belang is hoeveel er (uiteindelijk) aan schade vergoed is en waar de individuele posten uit bestaan. [eiser] kon de premieverhoging alleen voorkomen door het hele bedrag van € 1.033,55 te betalen, aldus Univé. De kantonrechter overweegt hierover het volgende.
4.3.
Vooropgesteld moet worden dat een verzekeraar als Univé op grond van artikel 6 van Pro de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen de schade zelfstandig en actief met de wederpartij van de verzekerde moet regelen. De verzekeraar heeft daarbij een behoorlijke mate van vrijheid om de schade te regelen (zie onder andere de beslissingen van de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (GC Kifid) 2017-756, GC Kifid 2017-716 en 2017-289). Bij het regelen van de schade moet de verzekeraar zich wel op een redelijke manier inspannen voor de bescherming van de belangen van de verzekerde – in dit geval [eiser] – bij de vaststelling van (de mate van zijn wettelijke aansprakelijkheid en van) de schade (zie GC Kifid 2019-390 en 2018-478). Dat betekent niet dat de verzekeraar de schade alleen mag vaststellen en tot vergoeding mag overgaan, als de verzekerde daartegen geen bezwaar heeft (CvB Kifid 2021-0008). Wel moet de verzekerde in staat wordt gesteld om marginaal te toetsen of de door de verzekeraar vastgestelde schade redelijk is. Een verzekerde heeft daarbij belang, omdat hij – door die schade zelf te betalen – verhoging van de premie als gevolg van het vervallen of verlagen van de no-claimkorting kan voorkomen. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Univé [eiser] onvoldoende in de gelegenheid gesteld om die marginale toetsing uit te voeren, gelet op het volgende.
4.4.
Zoals uit de vaststaande feiten blijkt, heeft [eiser] herhaaldelijk te kennen gegeven dat er volgens hem geen andere schade is ontstaan dan de schade aan het voorwiel van het meisje. Univé heeft, zo is gebleken, voor de schade aan de fiets een bedrag van € 433,55 uitgekeerd. Dit bedrag is onderbouwd met een prijsopgave van 7 december 2023 voor reparatie van de fiets van € 433,55. [eiser] heeft tegen dat bedrag uiteindelijk ook geen bezwaar meer gemaakt en heeft steeds te kennen gegeven dat hij de schade aan de fiets wilde betalen.
4.5.
Bij de voor de mondelinge behandeling overgelegde stukken van Univé bevindt zich verder een kassabon van € 100,00 van [bedrijfsnaam] in Den Haag, gedateerd 9 januari 2024. Volgens Univé heeft deze kassabon betrekking op reparatiekosten van het scherm van de mobiele telefoon van het aangereden meisje. Gelet op het betalingsoverzicht gaat de kantonrechter ervan uit dat Univé hiervoor daadwerkelijk € 100,00 heeft uitgekeerd aan het meisje. De gemachtigde van [eiser] heeft naar voren gebracht dat uit de kassabon niet blijkt dat het bedrag van € 100,-- betrekking heeft op de reparatie van een mobiele telefoon. Daar heeft hij gelijk in. De bon vermeldt niets anders dan ‘reparatie € 100,00’. Er staat geen naam op de bon en het is onduidelijk wat er is gerepareerd. Uit de e-mailwisseling tussen partijen blijkt verder dat Univé tegenover [eiser] helemaal geen melding heeft gemaakt van een bedrag van € 100,00 aan reparatiekosten voor een mobiele telefoon. Zij heeft daarin alleen gesproken over schade aan de fiets en letselschade. Van Univé had verwacht mogen worden dat zij dit wel aan [eiser] zou hebben meegedeeld, en ook waarom zij vond dat voldoende was aangetoond dat dit schadebedrag betrekking had op schade aan de telefoon van het meisje en dat die schade bij de aanrijding was ontstaan, nu het ongeval had plaatsgevonden op 29 november 2023 en de kassabon dateert van 9 januari 2024. Het is voorstelbaar dat Univé er om redenen van kostenefficiëntie voor heeft gekozen om deze schade aan het meisje te vergoeden, maar als dat het geval is, dan kan zij die schade niet zonder meer aan [eiser] als verzekerde doorberekenen.
4.6.
Nu Univé € 433,55 heeft uitgekeerd voor de schade aan de fiets en € 100,00 voor reparatie van de telefoon, heeft zij daarnaast kennelijk € 500,00 uitgekeerd wegens letselschade en mogelijk – gelet op de algemene toelichting van Univé in het bericht van 14 augustus 2024, zie hiervoor onder 2.7 – immateriële schade. Op de zitting heeft de gemachtigde van Univé daar niets over kunnen zeggen. [eiser] heeft over de gestelde letselschade aangevoerd dat Univé kennelijk medische kosten heeft vergoed van iemand anders dan het meisje dat hij heeft aangereden. Dat berust naar het oordeel van de kantonrechter op een misverstand: met ‘de andere betrokkene’ bedoelt Univé kennelijk het meisje, waarbij [eiser] dan de eerste betrokkene is. Er is geen aanleiding te denken dat Univé letsel van een derde zou hebben vergoed.
4.7.
Wat de letselschade betreft is het standpunt van Univé juist dat het haar niet was toegestaan om beschikbare informatie van de wederpartij over letsel met [eiser] te delen. Dit neemt niet weg dat Univé wel aan [eiser] had kunnen meedelen:
  • of zij of haar medisch adviseur aan de hand van door de wederpartij verstrekte medische informatie heeft vastgesteld dat het gestelde letsel naar omstandigheden voldoende was aangetoond;
  • of zij het aannemelijk heeft geacht dat dit letsel een gevolg was van de aanrijding, gelet op wat zij wist over de toedracht van de aanrijding, de gevolgen van dergelijke aanrijdingen in het algemeen en de aard van het letsel, en
  • of de omvang van de schade paste bij het letsel.
Hiermee zou Univé geen medische gegevens van de wederpartij aan [eiser] hebben prijsgegeven. Alleen de wijze van behandeling en beoordeling zouden daarmee worden verantwoord. Univé zou met deze mededelingen [eiser] wel in staat hebben gesteld te verifiëren – en hem daarmee het vertrouwen kunnen geven – dat Univé de letselschade zorgvuldig had vastgesteld, en niet een opgaaf van de wederpartij om haar moverende redenen voor waar had aangenomen, zonder dat deze was toegelicht en onderbouwd, bijvoorbeeld uit een oogpunt van kostenefficiëntie. Dat [eiser] de juistheid van die mededelingen dan nog steeds niet zelf aan de hand van medische gegevens van de wederpartij kon verifiëren of controleren, doet hieraan niet af, omdat het om niet meer dan een marginale toetsing gaat.
4.8.
Univé heeft dergelijke mededelingen niet aan [eiser] gedaan, hoewel daarvoor
– gelet op zijn herhaaldelijk gestelde vragen en zijn overtuiging dat er bij de aanrijding geen andere schade dan aan de fiets was ontstaan – wel reden was. Zolang Univé deze mededelingen niet deed, mocht zij niet van hem verlangen dat hij de letselschade en de gestelde schade aan de telefoon voor zijn eigen rekening zou nemen om terugval op de bonus-/malusladder te voorkomen, en dus ook niet de no-claimkorting verlagen en de premie verhogen omdat hij die schade (nog) niet wilde betalen. De hiervoor aangehaalde bepaling uit artikel 9.1 van de Algemene voorwaarden kan daaraan niet afdoen, omdat een verzekeraar geen absolute vrijheid heeft bij de vaststelling van het door haar uit te keren schadebedrag. Zij heeft een ruime mate van vrijheid, maar moet – op grond van de zorgvuldigheid die zij uit hoofde van de verzekeringsovereenkomst jegens haar verzekerden in acht moet nemen – bij de schadevaststelling wel in voldoende mate rekening houden met de belangen van haar verzekerde.
4.9.
Uit het voorgaande volgt dat Univé niet voldoende zorgvuldig jegens [eiser] heeft gehandeld door zonder redelijke uitleg wel betaling van het hele uitgekeerde schadebedrag van hem te verlangen en de premie te verhogen toen hij die schade niet wilde betalen. Dat betekent dat Univé de verhoogde premie voortijdig en dus ten onrechte bij [eiser] in rekening heeft gebracht. De overige verweren behoeven geen bespreking meer en het verstekvonnis zal worden vernietigd.
4.10.
Univé wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
  • kosten dagvaarding € 148,04
  • salaris gemachtigde 270,00 (2 punten x € 135,00)
  • nakosten
Totaal € 486,04
4.11.
De kantonrechter merkt ten slotte nog op dat de oorspronkelijke dagvaarding van Univé niet aan de daaraan te stellen eisen op grond van artikel 21 Wetboek Pro van Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 111 Rv Pro voldoet. Deze artikelen houden in dat partijen de rechter volledig en naar waarheid moeten informeren en dat de eisende partij haar bekende verweren van de gedaagde partij, ook die van voor de dagvaarding, in de dagvaarding dient te vermelden. Univé heeft in haar dagvaarding geen melding gemaakt van het feit dat de premie is verhoogd vanwege een schadeclaim van [eiser] in verband met een door hem veroorzaakt ongeval. Uit de e-mailwisseling tussen partijen die Univé in de verzetprocedure heeft overgelegd en die hiervoor zijn aangehaald, blijkt duidelijk dat [eiser] het niet eens was met de door Univé daarvoor uitgekeerde schade, dat hij deze daarom niet heeft betaald en dat dat de reden is van de premieverhoging. De opmerking in de dagvaarding dat [eiser] geen verweer heeft gevoerd is daarom onjuist. Univé was bekend met de bezwaren van [eiser] tegen de in rekening gebrachte premie en had daarvan melding moeten maken in de dagvaarding. Ook had zij de stukken betreffende de
e-mailwisseling tussen partijen bij de dagvaarding moeten voegen. Gelet op de uitkomst van de inhoudelijke beoordeling van de vordering verbindt de kantonrechter daar verder geen consequenties aan, maar zij geeft Univé dringend in overweging de dagvaarding in volgende gevallen aan te vullen met de haar bekende verweren van een verzekerde.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
vernietigt het verstekvonnis van 3 juli 2025 van de kantonrechter in deze rechtbank met rolnummer 11769925 RL EXPL 25-11782, ontheft [eiser] van de daarin uitgesproken veroordeling en wijst de oorspronkelijke vorderingen van Univé af;
5.2.
veroordeelt Univé in de kosten van deze verzetprocedure (inclusief nakosten), aan de zijde van [eiser] begroot op € 486,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag en de kosten van betekening als Univé niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door mr. N.B. Verkleij en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2026.