ECLI:NL:RBDHA:2026:4749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
9 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/9482
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.3 Invoeringswet OmgevingswetArt. 3.9 WaboArt. 3 lid 3 sub c bestemmingsplanArt. 3 leden 4 en 5 bestemmingsplanArt. 6.9 Omgevingsverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning bouw rundveestal wegens strijd met gemeentelijk en provinciaal beleid

Eiser vroeg op 7 december 2023 een omgevingsvergunning aan voor het bouwen van een nieuwe rundveestal ter vervanging van een bestaande stal op een agrarisch perceel. Het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas weigerde de vergunning op 22 oktober 2024, omdat het bouwplan in strijd zou zijn met het bestemmingsplan en het gemeentelijk en provinciaal beleid dat gericht is op het realiseren van natuurontwikkeling in het gebied.

De rechtbank oordeelt dat het college terecht heeft geweigerd, omdat het plan een uitbreiding van de bestaande bebouwing betreft en niet past binnen de beleidsdoelen van het Masterplan en de Structuurvisie Zuidplas 2030, die inzetten op het beëindigen van agrarisch gebruik in het gebied ten gunste van natuur en recreatie. Ook het provinciaal beleid ondersteunt deze visie en wijst het bouwplan af.

Eiser stelde dat het college ten onrechte geen advies had gevraagd aan de Agrarische beoordelingscommissie, maar de rechtbank concludeert dat dit niet verplicht was en dat het ontbreken van dit advies geen motiveringsgebrek oplevert. Het beroep wordt ongegrond verklaard, waardoor de vergunning geweigerd blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de weigering van de omgevingsvergunning wegens strijd met gemeentelijk en provinciaal beleid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9482

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. J.A. Rietveld),
en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas

(gemachtigde: mr. A. Scholtes).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van eisers aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een rundveestal op de locatie [adres] in [plaats]. Eiser is het niet eens met het besluit van het college om de omgevingsvergunning te weigeren. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 7 december 2022 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een rundveestal ter vervanging van bestaande bebouwing. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 22 oktober 2024 afgewezen.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, vergezeld door [naam] en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 7 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo nog van toepassing is.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Eiser drijft een veehouderij in [plaats]. Omdat de huidige veestal niet voldoet aan moderne eisen, wenst hij de bestaande stal van 582,5 m² te slopen en een vervangende stal van 1000 m² te realiseren. Eiser heeft voor dit bouwproject een omgevingsvergunning aangevraagd.
4.1.
Op de planlocatie geldt volgens het bestemmingsplan "[bestemmingsplan]" de bestemming "Agrarisch". De planlocatie ligt daarnaast in een gebied dat op themakaart 1 behorende bij het bestemmingsplan is aangeduid als "[planlocatie]". Dit heeft tot gevolg dat – op grond van artikel 3, lid 3, sub c van dit bestemmingsplan - de bestaande bebouwing op bouwvlakken niet mag worden uitgebreid.
4.2.
Het college heeft met het bestreden besluit de aangevraagde omgevingsvergunning geweigerd en de gemeenteraad heeft een verklaring van geen bedenkingen geweigerd. Het college wilt niet in afwijking van het bestemmingsplan een uitbreiding van de bestaande bebouwing toestaan omdat in de [planlocatie] de ontwikkeling van natte natuur wordt nagestreefd, gecombineerd met extensieve recreatie. Uit de toelichting bij het bestemmingsplan volgt de doelstelling om in de [planlocatie] een natuurgebied te realiseren van 150 hectare dat onderdeel uit zal gaan maken van het Natuurnetwerk Nederland. Om dit mogelijk te maken wilt de gemeente Zuidplas de landbouwfunctie in de [planlocatie] op termijn geheel laten verdwijnen. Wel wordt de huidige bebouwing – waaronder de reeds aanwezige agrarische bedrijfscomplexen – geconsolideerd. Het college vindt de uitbreiding van een agrarisch bedrijf niet passend binnen het gemeentelijke beleid zoals vastgelegd in het Masterplan [gebied], waaruit ook volgt dat het toevoegen van bebouwing niet wenselijk is en het agrarisch gebruik binnen de [planlocatie] eindig is, omdat dat gebied beoogd is voor natuurontwikkeling en de Structuurvisie Zuidplas 2030, waarin de planlocatie is aangeduid als onderdeel van de Groen- en Recreatiegebieden, dat gericht is op de ontwikkeling van natuur en extensieve recreatie zonder andere functies. Daarbij volgt uit provinciaal beleid de ambitie om voor 2027 de [planlocatie] om te vormen tot een natuurgebied. In het bestreden besluit wordt daarom geconcludeerd dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
Toetsingskader
5. Het college mag slechts buitenplans afwijken als de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het geschil spitst zich toe op de vraag of daarvan sprake is. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen.
Mocht het college weigeren om van het bestemmingsplan af te wijken?
6. Eiser wijst op de noodzaak van de bouw van een nieuwe rundveestal. De huidige stallen voldoen niet aan de eisen van diervriendelijkheid en duurzaamheid. De nieuwe stal voldoet aan alle eisen voor het houden van 83 stuks rundvee. Hij beschikt over een milieuvergunning op basis waarvan het toegestaan is om veel grotere dieraantallen te houden. Eiser voert aan dat het college ten onrechte concludeert dat zijn bouwplan niet verenigbaar is met het gemeentelijk en provinciaal beleid. Het Masterplan [gebied] sluit landbouwkundig gebruik niet uit en vormt dus geen belemmering. Het bouwplan behelst immers geen uitbreiding of intensivering van activiteiten, maar enkel vervangende nieuwbouw. Ook het provinciaal beleid sluit agrarische bedrijfsvoering niet uit volgens eiser. In het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2025 staat dat agrarisch gebruik mogelijk is om 15 stuks rundvee te weiden op NNN-gronden.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het realiseren van een grotere veestal op de voorgestelde locatie in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Volgens de rechtbank heeft het college ter motivering van zijn besluit kunnen verwijzen naar de toelichting van het bestemmingsplan en het gemeentelijk beleid zoals dit volgt uit het Masterplan [gebied] en de Structuurvisie Zuidplan 2030 en naar het provinciaal beleid. Zowel op grond van het Masterplan [gebied] als op grond van de bestemmingsplanregels is het toevoegen van bebouwing binnen de [planlocatie] niet wenselijk. Eisers betoog dat hij de aanwezige bebouwing niet uitbreidt kan de rechtbank niet volgen. Ten opzichte van de huidige feitelijke situatie neemt de aangevraagde veestal meer oppervlakte in beslag en worden er meer dieren gehuisvest. Aan zijn milieuvergunning kan eiser geen bouwrechten ontlenen. Ook de wens om het agrarisch gebruik in de [planlocatie] te beperken tot het gebruik zoals dat plaatsvindt in de huidige situatie door de al aanwezige agrarische bedrijven, blijkt naar oordeel van de rechtbank duidelijk uit het gemeentelijk beleid. Het gemeentelijk beleid is daarmee reden tot weigering.
6.2.
Dat het perceel waarop de veestal voorzien is geen deel uitmaakt van NNN-gebied is feitelijk juist, maar dat laat onverlet dat het college bij zijn belangenafweging betekenis mag toekennen aan het feit dat het bouwplan nadelige effecten kan hebben op de omringende gronden die momenteel wel tot NNN-gebied behoren. Eiser heeft te kennen gegeven dat hij de NNN-gronden wil gebruiken voor beweiding van rundvee. Het standpunt van het college dat dit afbreuk doet aan de doelstellingen van natuurontwikkeling binnen NNN-gebied, aangezien deze uitgaan van minimaal agrarisch gebruik (vee-eenheden per hectare) en dat er geen mest wordt uitgereden of ingebracht op het land om de biodiversiteit te vergroten, acht de rechtbank begrijpelijk. Overigens leest de rechtbank ook niet in de Structuurvisie Zuidplan 2030 dat het beweiden van NNN-gronden zonder meer past binnen het gemeentelijk beleid, zoals eiser betoogt. Dat het voorgestelde bouwplan strijdig is met het provinciaal beleid blijkt ook duidelijk uit de zienswijze van de Provincie Zuid-Holland, die er daarnaast op heeft gewezen dat het plan niet verenigbaar is met artikel 6.9 van de Omgevingsverordening en de natuurdoelen voor het omringende gebied, vastgelegd in het Natuurbeheerplan Zuid-Holland 2024. De rechtbank is van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd waarom het, gelet op het provinciale en gemeentelijke beleid, geen medewerking wil verlenen aan een afwijking van het bestemmingsplan.
7. Eiser voert eveneens aan dat het project ter advisering aan de Agrarische beoordelingscommissie (de ABC) voorgelegd had moeten worden. Die had het college moeten adviseren over de vraag of de noodzaak tot uitbreiding van de bebouwing aanwezig is. Nu dit niet gebeurd is, bevat het bestreden besluit volgens eiser een motiveringsgebrek.
7.1.
Uit artikel 3, leden 4 en 5 van het bestemmingsplan volgt dat het college de ABC enkel om advies moet vragen, indien zij vrijstelling wenst te verlenen van het bepaalde in artikel 3 lid 3 sub b of Pro van de op de plankaart aangegeven begrenzingen van bouwvlakken. In dit geval gaat het om afwijking van het bepaalde in artikel 3, lid 3, sub c, waarvoor geen binnenplanse maar alleen een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid bestaat. De rechtbank ziet geen reden om te oordelen dat het college desondanks de ABC om advies had moeten vragen, nu het college voldoende onderbouwd waarom gelet op het provinciale en gemeentelijke beleid geen medewerking wordt verleend aan afwijking van het bestemmingsplan. Het voorleggen van de aanvraag aan de ABC zou dus een overbodige exercitie zijn. Het gegeven dat het college de ABC niet heeft ingeschakeld om een toetsing uit te voeren, vormt dan ook geen motiveringsgebrek. Het college heeft verder betekenis kunnen hechten aan het feit dat in de bestaande stallen sedert meerdere jaren slechts een drietal koeien en een geit gehuisvest zijn en dat een deel van de gronden, ook ter plaatse van de beoogde stal, al jaren worden gebruikt voor illegaal gronddepot, waarvoor eiser inmiddels een omgevingsvergunning heeft aangevraagd. Eiser heeft dat ook niet ontkend. Het belang van eiser bij de gewenste uitbreiding is, gelet ook hierop, mager onderbouwd.
8. Gelet op het voorgaande, heeft het college op goede gronden de omgevingsvergunning kunnen weigeren, omdat deze gelet op het gemeentelijke en provinciale beleid in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning heeft mogen weigeren en eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Wesselo, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.