Eisers sloten met de vennootschap [bedrijfsnaam] B.V. een aannemingsovereenkomst voor de verbouwing van hun woning. De vennootschap werd bestuurd door gedaagden, die tevens aandeelhouders waren. Na betaling van meerdere termijnfacturen ontstond discussie over de betaling van termijnfacturen 16 en 17, waarbij eisers stelden dat deze facturen niet voldaan hoefden te worden omdat de werkzaamheden niet in gelijke tred vorderden.
Op 25 november 2021 vroeg gedaagde 2 het faillissement van [bedrijfsnaam] aan, dat op 7 december 2021 werd uitgesproken. De rechtbank onderzocht of de bestuurders aansprakelijk konden worden gehouden voor onrechtmatige daad wegens het laten betalen van termijnfactuur 17 terwijl het faillissement onafwendbaar was.
De rechtbank oordeelde dat niet aan de Beklamel-norm was voldaan bij het aangaan van de overeenkomst en bij termijnfactuur 16, maar dat bij termijnfactuur 17, betaald drie dagen voor de faillissementsaanvraag, sprake was van een ernstig verwijt aan de bestuurders. De vordering van eisers werd daarom toegewezen tot het bedrag van termijnfactuur 17, vermeerderd met wettelijke rente. Proceskosten werden gecompenseerd.