Uitspraak
1.De procedure
2.De feiten
[rechercheur], rechercheur van de politie Utrecht. Tijdens dit gesprek deelde [rechercheur] mede dat tijdens de huiszoeking bij [verzoekster] in juli 2025 een oranje koffer (met daarop het logo van het Groene Hart) was aangetroffen alsook diverse medicatie en opiaten.
3.Het verzoek en het verweer
4.De beoordeling
‘Groene Hart Ziekenhuis’is aangetroffen, alsook verschillende medicatie en opiaten. Het Groene Hart heeft de spullen op 30 oktober 2025 van de politie meegekregen. Diezelfde dag heeft de centrale apotheek van het Groene Hart op basis van LOT-nummers en barcodes die op de medicatie en opiaten staan geconstateerd dat deze afkomstig zijn uit het Groene Hart. De kantonrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de mededeling van de rechercheur en de constatering door de centrale apotheek, althans [verzoekster] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat de koffer met medicatie en opiaten toebehoren aan het Groene Hart en dat deze in de woning van [verzoekster] zijn aangetroffen.
‘Poeder in potje, identiteit onbekend. Indien cocaïne:’ad € 538,46. Het Groene Hart heeft niet onderzocht wat het poeder in het potje is. [verzoekster] betwist dat het cocaïne betreft. Volgens haar zit er ketamine in het potje, hetgeen goedkoper is dan cocaïne. Het Groene Hart heeft de inhoud van het potje op 30 november 2025 vernietigd, zodat niet komt vast te staan dat de poeder in het potje cocaïne is en een waarde vertegenwoordigt van
€ 538,46. Het Groene Hart dient dit bedrag aan [verzoekster] te betalen.
5.De beslissing
29 december 2025 tot de dag van volledige betaling,