ECLI:NL:RBDHA:2026:4789
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening machtiging tot voorlopig verblijf als pleegdochter
Verzoekster, een minderjarige Somalische pleegdochter van een verblijfsvergunninghouder, heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat verzoekster niet voldeed aan de voorwaarden voor een mvv nareis, mede omdat de familierechtelijke relatie niet aannemelijk was gemaakt.
Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om haar als ware zij in het bezit van een mvv te behandelen, zodat zij samen met de overige gezinsleden naar Nederland kan reizen. De voorzieningenrechter heeft dit verzoek op zitting behandeld en beoordeeld of er sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang dat toewijzing rechtvaardigt.
De voorzieningenrechter oordeelt dat het primaire verzoek geen voorlopig karakter heeft en dat toewijzing zou betekenen dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Er is onvoldoende onderbouwd dat verzoekster zich niet tijdelijk zelfstandig in Kenia kan handhaven. Ook is er geen aanleiding om de minister te verplichten sneller op het bezwaar te beslissen dan de wettelijke termijn.
De voorzieningenrechter concludeert dat er geen zwaarwegend spoedeisend belang is en dat er niet sterk getwijfeld hoeft te worden aan de rechtmatigheid van het besluit. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. Verzoekster krijgt het griffierecht niet terug en er is geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van zwaarwegend spoedeisend belang en onvoldoende twijfel aan de rechtmatigheid van het besluit.