De minister van Asiel en Migratie legde op 18 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 3 maart 2026 via een beeldverbinding.
Eiser stelde dat de maatregel onzorgvuldig was voorbereid, met een te eenzijdige focus op het risico dat hij niet uit eigen beweging zou terugkeren naar zijn land van herkomst. De rechtbank oordeelde dat het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling wel degelijk relevant was en dat de minister de verschillende gronden voor bewaring juist had meegewogen. Ook werd het verwijt van schending van de informatieplicht afgewezen, omdat de minister de stukken tijdig had ingediend en de late toevoeging van enkele documenten niet tot procesbelangenschade leidde.
Verder wees de rechtbank het standpunt van eiser af dat er geen zicht op uitzetting zou zijn, verwijzend naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die stelt dat zicht op uitzetting geen vereiste is voor een bewaring op grond van artikel 59b Vw 2000. De rechtbank concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.