ECLI:NL:RBDHA:2026:4809

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
10 maart 2026
Zaaknummer
NL24.8461 en NL24.8462
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:72 AwbArt. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitzettingsbesluit wegens onvoldoende belangenafweging privéleven vreemdeling

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verblijft al ruim 35 jaar in Nederland en heeft diverse medische problemen. Zijn aanvraag voor verblijf als familie- of gezinslid is door verweerder afgewezen, waarbij werd geoordeeld dat uitzetting niet in strijd is met zijn familieleven en privéleven. De rechtbank volgt verweerder in het oordeel over het familieleven, maar stelt vast dat verweerder niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen bij de belangenafweging van het privéleven van eiser.

Verweerder heeft onder meer nagelaten het langdurige verblijf van eiser en het gebrek aan actieve handelingen om zijn vertrek te bewerkstelligen mee te wegen. Ook zijn sociale contacten en taalbeheersing zijn niet adequaat betrokken in de afweging. Hierdoor voldoet het besluit niet aan het zorgvuldigheids- en motiveringsvereiste.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten van eiser toegewezen. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitkomst: Het besluit tot uitzetting van eiser wordt vernietigd wegens onvoldoende belangenafweging van zijn privéleven en verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL24.8461 (beroep)
NL24.8462 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1968, van Marokkaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. J. Werner)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Franca).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag met als doel “Verblijf als familie- of gezinslid bij mevrouw [persoon 1] ” (hierna: referente).
1.1.
Bij besluit van 12 oktober 2022 heeft verweerder de aanvraag afgewezen (primaire besluit). Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar aangetekend. Bij besluit van 29 februari 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard (bestreden besluit).
1.2.
Vervolgens heeft eiser beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 15 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, L. Lazar als tolk in de Arabische taal en de gemachtigde van verweerder. Ook zijn [persoon 2] , de zus van eiser, en [persoon 3] , begeleider van de dagbesteding van eiser, gehoord als getuigen. Daarnaast waren er ook nog een nicht, referente, en twee zussen aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en wijst de voorlopige voorziening af. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Griffierecht
4. Eiser heeft gevraagd om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit
verzoek toe.
Waar deze zaak over gaat
5. Eiser komt net als de rest van het oorspronkelijke gezin uit Marokko. Zijn ouders en (jongere) zussen hadden rechtmatig verblijf, maar eiser heeft geen rechtmatig verblijf gekregen aangezien hij ouder dan 18 jaar was. Eiser is in of rond 1988 naar Nederland gekomen en hij verbleef bij de rest van het gezin. Eiser heeft Nederland na zijn komst niet meer verlaten en hij verblijft al ruim 35 jaar in Nederland. Eiser heeft diverse medische problemen waarvoor hij onder behandeling staat en medicatie krijgt. Eiser verblijft afwisselend bij verschillende familieleden. Op 29 november 2016 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw [1] onder de beperking “artikel 8 EVRM Pro [2] /humanitair” aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen en het beroep hiertegen is ongegrond verklaard. Daarna heeft eiser opnieuw een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van Pro de Vw onder de beperking “overige humanitaire omstandigheden” aangevraagd. Deze aanvraag is buiten behandeling gesteld en het beroep hiertegen is ongegrond verklaard op 6 juli 2021. In deze procedure heeft eiser op 25 april 2022 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel “Verblijf als familie- of gezinslid bij mevrouw [persoon 1] ” aangevraagd.
Besluitvorming
6. Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit afgewezen omdat de uitzetting van eiser niet in strijd is met familieleven (artikel 8 van Pro het EVRM). Allereerst is niet gebleken dat er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen eiser en referente. Voor zover de familierechtelijke relatie tussen eiser en referente dient te worden aangenomen, oordeelt verweerder dat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie is tussen eiser en referente. Ondanks dat er geen familieleven wordt aangenomen, heeft verweerder een belangenafweging gemaakt. [3] Deze belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit, nu verweerder stelt dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eiser. Volgens verweerder is de uitzetting van eiser ook niet in strijd met het privéleven. Eiser heeft namelijk wel privéleven, maar de belangenafweging valt in het nadeel van eiser uit. Het belang van de Nederlandse overheid weegt zwaarder dan het belang van eiser. Tot slot komt eiser niet in aanmerking voor een ambtshalve verlening van een verblijfsvergunning of voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw Pro.
6.1.
In het bestreden besluit blijft verweerder bij het standpunt dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM.
Beroepsgronden van eiser
7. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn uitzetting in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM (familieleven en privéleven). Verweerder heeft allereerst ten onrechte geen familierechtelijke banden tussen zijn Nederlandse zussen en nichtje enerzijds en hemzelf anderzijds aangenomen. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie heeft aangenomen tussen hem en referente. Verweerder heeft volgens eiser namelijk ten onrechte niet aangenomen dat hij financieel afhankelijk is van zijn familieleden, dat er sprake is van samenwoning en dat hij afhankelijk is van hen voor mantelzorg. Verder wordt ten onrechte gesuggereerd dat verweerder sterkere banden met Marokko dan met Nederland zou hebben, terwijl hij een aanzienlijk langere periode in Nederland heeft gewoond en hier ook al zijn actuele banden heeft. Tot slot heeft verweerder in de gemaakte belangenafwegingen volledig miskend dat het langdurig verblijf van eiser in Nederland mede is veroorzaakt door de Nederlandse overheid zelf. Enkel de lange duur van de onderhavige procedure is daarvoor al een zeer sterke aanwijzing, die ten onrechte buiten beschouwing is gelaten in de beoordeling.
Familieleven
8. Ten aanzien van het familieleven van eiser oordeelt de rechtbank als volgt. De rechtbank volgt verweerder in het standpunt dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met het familieleven van eiser. Eiser heeft niet aan kunnen tonen dat er sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen hem en referente. Zo heeft hij niet aan kunnen tonen dat hij afhankelijk is van mantelzorg, financieel afhankelijk is en samenwoont met referente. Ter zitting is ook verklaard dat eiser afwisselend woont bij zijn zussen en bij zijn nicht. Aan de beoordeling van de belangenafweging komt de rechtbank dan ook niet toe. De beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
9. Ten aanzien van het privéleven van eiser oordeelt de rechtbank als volgt. Het staat tussen partijen niet ter discussie dat er sprake is van privéleven. Tussen partijen is wel de belangenafweging die verweerder heeft gemaakt in geschil. De rechtbank stelt vast dat verweerder het vrijwilligerswerk van eiser, de dagbesteding waar hij heen gaat en dat hij lid was van de band [naam] in de belangenafweging in het voordeel van eiser heeft meegewogen. Ook stelt de rechtbank vast dat verweerder de sociale contacten van eiser en zijn beheersing van de Nederlandse taal noch in het voordeel noch in het nadeel van eiser heeft laten meewegen. De eerste toelating van eiser en dat hij geen recente stukken heeft ingediend zijn in het nadeel van eiser uitgevallen.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder ook een aantal relevante feiten en omstandigheden niet heeft meegewogen in de belangenafweging. Zo heeft verweerder ten onrechte niet meegewogen dat de overheid eiser zeer lange tijd ongemoeid heeft gelaten. Van daadwerkelijke activiteiten van verweerder ter voorkoming van het langer voortduren van het onrechtmatig verblijf van eiser in Nederland is niet gebleken. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd genoemd dat er negen vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden. Op de zitting heeft verweerder verder nog toegelicht dat er buiten de bewaring in 2012 geen andere actieve handelingen zijn verricht om eiser Nederland te laten verlaten. Eiser heeft hierover verklaard dat hij mee heeft gewerkt aan de vertrekgesprekken, maar dat hij niet terug kon naar Marokko omdat hij geen paspoort had. Gezien de lange duur van het verblijf van eiser in Nederland had verweerder uitdrukkelijk aandacht moeten besteden aan het stilzitten van de Nederlandse overheid. [4] Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet alle omstandigheden van eiser meegewogen in de belangenafweging. Eiser is al 37 jaar in Nederland. Hij is destijds als jongvolwassene naar Nederland gekomen, toen het huidige jongvolwassenenbeleid nog niet van toepassing was. Naar de rechtbank begrijpt kwam eiser later dan de rest van het gezin en heeft hij zich feitelijk weer bij het kerngezin in Nederland gevoegd waar hij altijd is gebleven. Deze omstandigheden had verweerder naar het oordeel van de rechtbank bij de belangenafweging moeten betrekken.
9.2.
Door dit na te laten heeft verweerder dus niet, althans niet kenbaar, alle daarvoor relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging betrokken en is deze derhalve niet toereikend. Het besluit is dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsvereiste [5] en het motiveringsvereiste [6] . De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. De rechtbank vernietigt
daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet, gelet op de aard van het gebrek, geen
aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te
voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De rechtbank bepaalt met toepassing van
artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening moet houden met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten om hieraan een dwangsom te verbinden.
11. Omdat het beroep gegrond is veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit
proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.8461:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer NL24.8462:
- wijst het verzoek af.
De rechtbank, in alle zaken:
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Gelet op de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2006.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 25 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1044, r.o. 5.5.
5.Conform artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
6.Conform artikel 7:12 van Pro de Awb.